COUVEUSEKINDEREN

Ter verontschuldiging kan ik aanvoeren dat ik nog jong en onervaren was toen ik indertijd werd rondgeleid op een couveuse-afdeling. Lopend van het ene glazen bedje naar het andere slaakte ik de overbekende kreetjes van verrukking over zóó klein en zóó schattig. De arts die met me meeliep kreeg er genoeg van en wees me terecht: ""Zo schattig is het allemaal niet hoor. Veel van deze kinderen zullen gehandicapt blijken te zijn.''

Inmiddels is op dit terrein grote medische vooruitgang geboekt. Uit de resultaten van een recent gepubliceerd longitudinaal onderzoek waarbij couveusekinderen vijf jaar na hun geboorte werden gevolgd, bleek uiteindelijk veertien procent gehandicapt te zijn. Van de 1338 Nederlandse kinderen die in 1983 te vroeg werden geboren of wel voldragen, maar veel te licht ter wereld kwamen bleven er 966 in leven. Zij werden door een team van kinderartsen periodiek onderzocht. De resultaten werden vastgelegd in een kortgeleden verschenen proefschrift.

(Terzijde: dit proefschrift was samengesteld uit twaalf reeds gepubliceerde of voor publikatie aangeboden tijdschriftartikelen, geschreven door minimaal zes en maximaal acht auteurs, onder wie altijd de promotor, en van wie er drie de bundel mochten gebruiken om op te promoveren. Hoe zit het dan met de proeve van bekwaamheid in het zelfstandig leveren van een wetenschappelijk werkstuk?)

Het aantal couveusekinderen neemt toe. Door de geavanceerde medische technieken kunnen steeds kwetsbaarder kinderen toch nog in leven worden gehouden. Bovendien wordt door vruchtbaarheidsbehandelingen het aantal te vroeg geboren meerlingen groter. Niet alleen voor medici, ook voor ontwikkelingspsychologen vormen zij een belangrijke onderzoeksgroep.

Want hoewel de meesten dus niet gehandicapt blijven is bijvoorbeeld het percentage latere taal-, bewegings- en gedragsproblemen onder couveusekinderen wel iets hoger dan onder doorsnee kinderen. Er worden globaal drie groepen oorzaken onderscheiden. In de eerste plaats rechtstreeks. Naarmate het geboortegewicht lager is en de medische complicaties groter, neemt de kans op lichte beschadiging van bijvoorbeeld het gehoor toe. Dat kan een negatieve invloed hebben op de vroege taalontwikkeling.

De tweede onderzoekslijn richt zich op de invloed van het verblijf in de couveuse als zodanig. Daar zitten verschillende aspecten aan, die overigens ook weer niet los te zien zijn van elkaar. Zo wordt wel verondersteld dat het gebrek aan beweging - in de baarmoeder schommelt een kind voortdurend heen en weer - nadelig is voor de ontwikkeling van het evenwichtssysteem en daarmee voor een soepele motoriek. Er wordt daarom als de toestand van het kind het toelaat hier en daar geëxperimenteerd met zacht schommelende couveuses en met de zogeheten kangoeroemethode, bij gebrek aan couveuses ontstaan in de derde wereld, waarbij de verpleegkundigen het kind dicht tegen zich aan ronddragen. Vooral van het schommelen worden positieve resultaten gemeld.

Ontwikkelingspsychologisch gezien is een ander negatief aspect van het verblijf in de couveuse dat het onmogelijk is rekening te houden met de aard van de kinderen, zelfs niet met hun levensritme. Dit staat lijnrecht tegenover het belang dat tegenwoordig wordt gehecht aan de vroege responsiviteit van de ouders - met name van de moeder - ten opzichte van het kind. Hiermee wordt bedoeld dat de ouders de typerende behoeften van de baby die samenhangen met zijn aangeboren aard aanvoelen, daarop ingaan en eventuele narigheid voor hem opheffen. Er is geen standaard goed moederlijk gedrag, het gaat erom of moeder haar gedrag kan afstemmen op de individuele behoeften van haar baby.

In het algemeen geldt dat naarmate die afstemming beter lukt, de baby emotioneel het beste gedijt, ook als het gaat om een kind dat met een moeilijk temperament op de wereld komt. Bij couveusebaby's kan van een dergelijke afstemming geen sprake zijn. Zo brandt er dag en nacht licht om hen heen, is er voortdurend lawaai van apparatuur, moeten zij op heel vaste tijden worden gevoed en zijn allerlei medische handelingen nodig. Op de onlangs in New Orleans gehouden conferentie van de Society for Research in Child Development - waar diverse presentaties aan premature en te lichte kinderen waren gewijd - werd een onderzoek vermeld waaruit bijvoorbeeld bleek dat de intensiteit van het lawaai een direct verband vertoonde met de mate waarin het kind onrustig en prikkelbaar was. Ook was vastgesteld dat de ziekste - en dus ook emotioneel kwetsbaarste - couveusekinderen per dag vier keer zo vaak voor medische handelingen werden "gestoord' dan de minst zieke. Dat maakte de kinderen eveneens extra onrustig. Uiteraard heeft men geen keus, maar het is niet ondenkbaar dat hier het prille begin ligt van latere gedragsproblemen.

De ouderlijke responsiviteit wordt ook nog in een ander verband genoemd. Het emotionele klimaat rond de couveuse lijkt belangrijk. Uit onderzoek bleek bijvoorbeeld dat baby's van wie de ouders zo veel mogelijk bij de verzorging werden betrokken en die dus ook zo veel mogelijk op tekenen van hun kinderen konden reageren, de risicogroep ontgroeiden. Maar dat lukte nauwelijks als de toestand van een kind een ongelijkmatig medisch verloop liet zien. Ouders konden zich dan niet op een bepaalde ziektetoestand instellen. Ook al waren ze aanvankelijk responsief, dan gaven ze vaak op den duur de moed toch op. Dit kan zo ver gaan dat zij al afscheid nemen van het kind en niet meer onvoorwaardelijk blij kunnen zijn als het 't uiteindelijk toch haalt en thuiskomt. Bij baby's met een gelijkmatig ziekteverloop - ook al waren de complicaties aanvankelijk ernstig - bleef een hoge ouderlijke responsiviteit meestal bestaan.

De derde onderzoekslijn heeft betrekking op de ouder-kind relatie als de baby thuis is. Een makkelijke baby maakt het zijn ouders makkelijk sensitief te zijn en aan te voelen wat het nodig heeft. Maar couveusebaby's zijn vaak geen makkelijke kinderen. Gezien het bovenstaande is het niet verwonderlijk dat ze relatief vaak ontregeld zijn in het ritme van slapen en waken, eten en verzadiging, huilen en troost. Het gedrag van de baby is dan grillig en daardoor voor de ouders onvoorspelbaar. De uitingen van het kind zijn ook vager en daardoor is het moeilijker te begrijpen wat er achter zit. En soms reageert het ook minder of onverwacht op wat de ouders doen, waardoor zij geen houvast krijgen bij hun verzorging. Dit alles is een aanslag op vooral de moeders en dat vergt extra veel van hun responsiviteit, zeker voor hen die naar hun eigen aard toch al moeite hebben zich in een ander wezen te verplaatsen. Dit kan - als de vader niet voor compensatie kan zorgen - het begin zijn van een verstoorde moeder-kind relatie die kan leiden tot bijvoorbeeld gedragsproblemen bij het kind.

Maar ook als moeder van nature wel de rust en het geduld zou kunnen opbrengen, kan de situatie een belemmerende factor zijn. Zo wordt op basis van diverse onderzoeken gemeld dat veel moeders neerslachtig zijn. Het ongeluk is opeens zo dichtbij gekomen. Ook kan er het neerdrukkende idee zijn dat zij niet eens als iedere normale vrouw' een gezond kind heeft kunnen baren. En depressieve moeders hebben nogal eens een negatiever beeld van hoe het met hun kind gaat. Zij zien dan bijvoorbeeld meer gedragsproblemen dan naar objectieve maatstaven gemeten nodig is. De kwaliteit van de huwelijksrelatie blijkt van doorslaggevend belang, want een man die zijn vrouw hier doorheen sleept geeft haar het nodige zelfvertrouwen terug om een goede moeder te zijn.

En dan is er de bezorgdheid, ook als die niet meer nodig is. Driejarigen kunnen kerngezond zijn, maar toch nog steeds als kasplantjes worden behandeld. En wie zal dat gek vinden. In een van de onderzoeken kwam naar voren dat moeders deze peuters wel normaal' vinden, maar toch ook speciaal'. Het wonder dat tegen alle verwachting in in leven is gebleven. En daar ga je niet argeloos mee om. De onderzoekers spreken van een compensatory parenting style, waarbij de ouders nog steeds proberen iets te vergoeden van de narigheid die hun kind in de couveuse moet hebben doorstaan. Want dat is vergeleken met toen ik op zo'n afdeling rondliep niet veranderd: er gaat niets boven een gewone baarmoeder.

-60th Anniversary Meeting of the Society for Research in Child Development, March 25-28, 1993. New Orleans.

-Martina Ens-Dokkum, Anneke Schreuder en Sylvia Veen: Outcome at five years of age in very preterm and very low birthweight infants in the Netherlands. Leiden: proefschrift 1993.

-Donna Spiker et al: Reliability and Validity of Behavior Problem Checklist as Measures of Stable Traits in Low Birth Weight, Premature Preschoolers. Child Development, 63-6, 1992.