Big Mac als maatstaf

Stel dat een kilo Goudse kaas in Nederland 20 gulden opbrengt, terwijl precies dezelfde kaas in Duitsland 18 Duitse mark kost. Neem verder aan dat de wisselkoers tussen gulden en mark 1 op 1 luidt. Slimme kaashandelaren zien daar wel brood in. Ze kopen onmiddellijk tonnen Duitse kaas op, om die met gulden winst per kilo te verkopen op de Nederlandse markt.

Maar dat feest duurt niet lang. In de eerste plaats drukt het extra aanbod van Duitse kaas in Nederland de kaasprijs omlaag. En in de tweede plaats verandert de wisselkoers tussen gulden en Duitse mark. Voor de aankoop van al die Duitse kaas zijn immers marken nodig. Die moeten worden gekocht op de valutamarkt. De vergrote vraag naar marken drijft de prijs van de D-mark, de wisselkoers, op. Het resultaat ziet er bij voorbeeld zo uit: de prijs van Goudse kaas is gedaald tot 18,90 gulden en de wisselkoers van de mark is gestegen tot 1,05 gulden. Nu valt er aan de transactie geen cent meer te verdienen. Omgerekend in guldens kost een kilo kaas in Nederland net zoveel als in Duitsland: 18,90 (18 Duitse mark à 1,05 gulden). De wisselkoers tussen gulden en mark geeft nu exact het prijsverschil tussen Nederland en Duitsland weer.

Dat is de kern van de koopkrachtpariteitstheorie (KPT). Volgens die theorie moeten wisselkoersverhoudingen een perfecte afspiegeling zijn van de verschillen in binnenlands prijspeil tussen landen. En als de prijzen in het ene land harder stijgen dan in het andere land, heeft dat gevolgen voor de wisselkoers. Als het gemiddeld prijspeil in bij voorbeeld Duitsland met 3 procent stijgt, terwijl de inflatie in Nederland 4 procent bedraagt, moet de koers van de gulden met 1 procent omlaag.

Op die KPT valt overigens wel het een en ander af te dingen. Ze houdt bij voorbeeld geen rekening met transportkosten en handelsbelemmeringen (zoals invoerrechten) tussen de betrokken landen. Verder heeft de theorie alleen betrekking op goederen en diensten die internationaal worden verhandeld. Verschillen in woonlasten of de prijzen van medische verzorging tellen niet mee. In de KPT is ook geen rol weggelegd voor het effect van internationale kapitaalstromen op de koersvorming van valuta's. Onlangs nog merkten de landen van het Europees Monetair Stelsel (EMS) dat juist die kapitaalstromen de koersen kunnen maken of breken.

Voor het verklaren van de dagelijkse koersschommelingen van valuta's kan de KPT dan ook niet echt serieus worden genomen. Maar voor veranderingen over een langere periode kunnen verschillen in inflatietempo wel enige voorspellende waarde hebben. Eens per jaar drukt het Britse weekblad The Economist de zogeheten Big Mac-index af. Helemaal willekeurig is de keus voor de Big Mac niet. De hamburgerketen Mac Donalds belooft immers zijn klanten, waar ook ter wereld (intussen in 66 landen), deze snack in dezelfde kwaliteit aan te bieden. Met de prijs van een dikke hamburger als voorbeeld vergelijkt het blad de werkelijke wisselkoersen met de koersen die volgens de Big Mac-index zouden moeten gelden.

In de tabel is de hamburgernorm afgedrukt voor zestien landen. In de Verenigde Staten werd de Big Mac verkocht voor gemiddeld 2,80 dollar. Als de KPT opgaat, zou de hamburger, omgerekend tegen de dollarkoers van de lokale valuta's, op dezelfde prijs moeten uitkomen. Dat blijkt uit de tabel duidelijk niet het geval te zijn. In Denemarken, Zwitserland en Argentinië is de Big Mac-fan een stuk duurder uit. Goedkoop kan hij terecht in Rusland, Hongkong en Maleisië. Goedkoop is in dit verband overigens betrekkelijk. Voor de gemiddelde Moskoviet is de Big Mac een onbetaalbare tractatie.

In de tabel gaat het om de vraag of andere munten over- of ondergewaardeerd zijn ten opzichte van de dollar. De dollar staat centraal. Maar voor ons is vooral de verhouding tussen de Europese munten onderling van belang. Ook die informatie kunnen we uit de tabel halen. Bijna alle munten die deel uitmaken van het EMS zijn overgewaardeerd ten opzichte van de dollar. Maar niet in dezelfde mate. Laten we de Duitse mark als uitgangspunt nemen (28 procent overgewaardeerd ten opzichte van de dollar). Maar de Franse franc (52 procent) en vooral de Deense kroon (86 procent) zijn veel sterker overgewaardeerd ten opzichte van de dollar dan de Duitse mark. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat die munten ook zijn overgewaardeerd tegenover de Duitse mark. Volgens de Big Mac-index zouden die munten dus flink in koers moeten dalen ten opzichte van de Duitse mark. Het is te hopen dat valutaspeculanten niet al te sterk geloven in de voorspelkracht van de Big Mac-index. Anders staat het EMS nog heel wat ellende te wachten.