Voortgang van werk vertrouwensartsen in toekomst "erg onzeker'

UTRECHT, 21 APRIL. Het is uiterst onzeker of de Buro's Vertrouwensarts inzake kindermishandeling (BVA) hun werk in de nabije toekomst kunnen voortzetten. De buro's kampen met geldgebrek en gebrek aan menskracht om hun taak: het ontvangen en onderzoeken van meldingen van vermoedens van kindermishandeling, op een zo adequaat mogelijke manier uit te voeren. Vorig jaar bedroeg het aantal meldingen bij de elf BVA's 11.466, 17 procent meer dan in 1991.

Dat blijkt uit het vanochtend gepresenteerde jaarverslag van de landelijke stichting BVA. Daarin wordt weliswaar met voldoening geconstateerd dat het bestaan en het nut van de BVA's niet in twijfel wordt getrokken maar dat anderzijds niet of nauwelijks maatregelen worden genomen om een goede taakuitoefening blijvend te garanderen.

De werkdruk is op de meeste bureau's tot soms onaanvaardbare hoogte gestegen, aldus het jaarverslag. De achterstand in de personeelsbezetting is nog vergroot doordat de bureaus op 1 januari 1992 onder de Wet Jeugdhulpverlening zijn gebracht. De subsidies aan de provincies en grote steden voor de BVA's zijn toen vastgesteld op het niveau van het budget voor 1991. Ook in 1993 zijn ze niet verhoogd. Bovendien heeft de decentralisatie ertoe geleid dat de bureaus meer tijd kwijt zijn aan het onderhouden van allerlei contacten, niet alleen op ambtelijk en bestuurlijk/politiek niveau maar ook in het veld. En “niet zonder teleurstelling” wordt in het jaarverslag opgemerkt dat het nog steeds ontbreekt aan een adequate wettelijke regeling omtrent taken en bevoegdheden van een BVA.

De eerste vier vertrouwensartsen werden in 1972 benoemd. Twintig jaar na dato bedraagt hun aantal 32. Het aantal meldingen van vermoedens van kindermishandeling steeg navenant: van ruim vierhonderd in 1972 tot 1.800 tien jaar later. In twee jaar tijd, van 1990 tot 1992, steeg het aantal meldingen met 40 procent.

De meeste gevallen (43 procent) betroffen emotionele mishandeling of verwaarlozing, gevolgd door lichamelijke mishandeling (21 procent), seksueel misbruik (17 procent) en lichamelijke verwaarlozing (8 procent). De "plegers' zijn meestal de moeder (29 procent), de vader (23 procent) of beide ouders (27 procent). Zowel jongens als meisjes blijken slachtoffer te zijn van verschillende vormen van kindermishandeling maar seksueel misbruik komt vaker bij meisjes voor dan bij jongens: 76 procent tegenover 24 procent in 1992. Voor 1991 waren die percentages 79 en 21.

De leeftijd van de mishandelde kinderen varieert van 0 tot 18 en ouder. Vorig jaar ging het in 1.893 gevallen om kinderen tussen de zes en acht jaar. In 659 gevallen betrof het baby's, in vijftienhonderd gevallen waren kleuters het slachtoffer.