Telefoon bezorgt jurist kopzorgen; Liberalisering van telecommunicatie noopt tot wijziging van regels

ROTTERDAM, 21 APRIL. De Europese Gemeenschap wil een einde maken aan het PTT-monopolie op het telefoonnet. De consument moet een concurrerende telefoonmaatschappij kunnen kiezen als dat beter uitkomt. Dat zal al gauw het geval zijn bij internationale gesprekken. Maar het binnenlandse telefoneren wordt ongetwijfeld duurder als in een vrij systeem de kostprijs de basis van alle tarieven wordt.

Dit soort overwegingen hebben tot dusver dan ook een stevige steun gevormd voor nationale PTT-monopolies. Dat bleef gelden nadat binnen Europa consensus was ontstaan dat de traditionele staatsbedrijven zouden moeten worden verzelfstandigd en geliberaliseerd, zoals Nederland in 1989 ook deed. De Europese Commissie wil nu echter toch werkelijk een vrije markt voor telefonie en geeft zelfs een concreet tijdstip aan voor de beoogde cultuuromslag: 1998.

Wie wil weten wat al dan niet is toegestaan op het gebied van telecommunicatiediensten - huurlijnen?, semafonie? - moet tegenwoordig naast de Wet telecommunicatievoorzieningen (WTV) ook de Staatscourant bij de hand hebben. Daarin worden met regelmaat substantiële afwijkingen van het wettelijk regiem bekendgemaakt. Volgens de hoogleraar informatierecht en advocaat mr.E.J.Dommering is er sprake van “een selectief gedoogbeleid dat grote rechtsonzekerheid en legtitimiteitsverlies meebrengt”.

Gedoogbeslissingen komen volgens hem ondoorzichtig tot stand. Vaak is er alleen bilateraal overleg met de PTT aan vooraf gegaan en dikwijls zijn ze selectief. Een voorbeeld van het laatste is het gedogen van computercommunicatie over huurlijnen, inclusief de doorverhuur van kale capaciteit aan derden. Daarentegen dienen kabelexploitanten te wachten op een wetswijziging voordat zij hun netten onderling kunnen verbinden of deze behalve voor de omroep ook kunnen gebruiken voor datacommunicatie.

Kabelexploitanten staan ook te trappelen om bij voorbeeld bedrijfsterreinen aan te sluiten, uiteraard niet voor de omroep maar voor nieuwe dienstverlening als het overseinen van complete blauwdrukken voor (al dan niet computerondersteunde) fabricage of ontwerpprocessen. Dat kan wel, maar is onderworpen aan een omslachtige vergunningprocedure.

Nederland is voor meer dan negentig procent bekabeld en het wordt hoog tijd dat dit medium eens ontwaakt uit zijn spreekwoordelijke juridische winterslaap. Dat geldt overigens evenzeer voor andere alternatieve infrastructuren, zoals het glasvezel-Telenet van de gezamelijke nutsbedrijven en het verbindingsnet van de Nederlandse Spoorwegen. Die zouden heel goed ook door anderen kunnen worden gebruikt.

Minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat) heeft beloofd met voorrang iets aan de kabelwetgeving te doen, maar dat zei ze ook over de mobiele communicatie en daar is het wachten ook nog steeds op nieuwe wetgeving. Er zijn trouwens juristen die de stelling verdedigen, dat de kabelexploitanten helemaal niet hoeven te wachten. Met een beroep op het EG-recht kunnen zij nu reeds het WTV-juk van zich afschudden. Mr.E.Zinner van de departementale Hoofddirectie Telecom en Post (HDTP) spreekt dat overigens tegen. Zij bestrijdt de stelling van Dommering dat met twee maten wordt gemeten.

Liberalisatie van de huurlijnen is per 1 januari van dit jaar voorgeschreven door de zogeheten Dienstenrichtlijn van de EG, maar voor de kabelnetten is de deadline pas uiterlijk 1996. Het is bovendien de vraag of dit wordt gehaald, want sommige landen voelen weinig voor liberalisering.

Dergelijke hobbels nemen niet weg dat de term liberaliseringsgolf niet overdreven is voor de Europese regelgeving op het gebied van de telecommunicatie. Centraal daarin staat het begrip Open Network Provision (ONP), een stelsel van uniforme en doorzichtige voorwaarden voor de toegang tot openbare telecommunicatienetten.

Opmerkelijk is vooral de strakke fasering die de Europese Commissie heeft voorgesteld, uitlopend op het einde van het PTT-monopolie in 1998. De precieze inhoud van het plan moet nog worden bekendgemaakt. Zoals het er thans uitziet wordt de mogelijkheid de PTT te passeren in de eerste fase (tot 1996) wel onderworpen aan beperkingen. De inrichting van een eigen netwerk is alleen voorzien voor bedrijven (communicatie binnen een concern) en aan “besloten gebruikersgroepen” - dit alles alweer vanwege het gevaar van afroming van de PTT-nutsdienst.

Het directoraat-generaal voor de mededinging van Commissaris Van Miert heet echter niet voor één gat te vangen te zijn. Het ligt er immers maar aan wat men precies verstaat onder een besloten groep. Een netwerk van importeurs en dealers komt al gauw in aanmerking. Logisch betekent dit dat alle netwerken tussen klanten en leveranciers zijn toegestaan - en waarom zou dat dan ook niet gelden voor het grote publiek? “Iedereen winkelt wel eens bij Albert Heijn”, merkt een telecom-grootgebruiker op. Zo is wellicht nog een mooie taak als alternatieve PTT weggelegd voor het supermarktbedrijf.

De Raad van Ministers van de EG moet op 10 mei nog beslissen over het ambitieuze liberaliseringsprogramma. Een gelopen race is dat bepaald niet. Zo heeft mr.Zinner er fijntjes aan herinnerd dat de EG de staten een zekere marge wil laten zelf te bepalen wàt een ONP-net is. Voor Nederland is in elk geval duidelijk dat de WTV na vier zijn langste tijd alweer heeft gehad. Aan een fundamentele wijziging valt niet te ontkomen vanwege de nieuwe regelgeving uit Brussel. Nog dit jaar komt het kabinet met een nota over een algehele herziening van de telecommunicatiewetgeving.