Strijd tussen Kroaten en moslims komt niet onverwachts

BELGRADO, 21 APRIL. Aan het begin van zijn tweede jaar lijkt de burgeroorlog in Bosnië-Herzegovina definitief een driezijdige geworden: na de teloorgang van het fragiele bondgenootschap tussen Kroatische en moslim-troepen tegen de Serviërs is tussen Kroaten en moslims nu ook de strijd om territorium ontbrand, met de uit de eerdere fasen van de strijd bekende etnische zuiveringen, verwoesting van dorpen en steden en mishandeling van onbewapende burgers.

Onverwachts komt de in de afgelopen dagen in en bij Travnik, Vitez, Kiseljak, Jablanica en Mostar ontbrande strijd geenszins. Het Kroatische leger in Bosnië-Herzegovina, de HVO, had er in feite eerder deze maand het sein toe gegeven door het stellen van een ultimatum aan de moslims. Hun "Leger van Bosnië-Herzegovina' zou zich in de volgens het vredesplan Vance-Owen in meerderheid als Kroatisch gedefinieerde provincies aan het commando van de HVO moeten onderwerpen.

Moslim-leider Alija Izetbegovic noch zijn bewapende mannen bleken daartoe bereid. Daarop grepen, naar goed-Bosnische gewoonte, beide partijen onmiddellijk naar de wapenen, bestoken elkaar nu met artillerie en mortieren en moorden elkaar uit. Wie er met schieten begint, verschilt misschien van plaats tot plaats en de waarheid sneuvelt meestal in de wederzijdse beschuldigingen, net als aan de fronten met de Serviërs.

Spanningen en gevechten tussen Kroaten en moslims waren er vorig jaar al, toen Kroatische eenheden het stadje Prozor van moslims "zuiverden' en het goeddeels verwoestten. In de loop van de afgelopen winter kwam het incidenteel tot schiet- en moordpartijen, met name in Gorni Vakuf en Travnik. Dat de strijd nu in volle omvang ontbrandt, hangt niet alleen maar samen met het feit dat in Bosnië de lente is aangebroken, waardoor logistiek en gevechtsomstandigheden veel beter worden. Ook speelt een rol dat de oorlog met de Serviërs in de meeste delen van Bosnië in wezen voorbij is, zodat Kroaten en moslims de aandacht op elkaar kunnen richten.

Maar de voornaamste reden van de geweldsexplosie van thans lijkt het feit dat voor het eerst in de oorlog de moslims als een zelfstandige militaire partij kunnen optreden, die zich tussen de krachtige Servische en Kroatische oorlogspartij wil laten gelden als een militaire factor. Wat de in de tang genomen en soms tot wanhoop gedreven moslim-strijders nog tekort mogen komen aan bewapening, maken zij op veel plaatsen goed door numeriek overwicht. Met name in de steden in Centraal Bosnië - zoals Zenica, Visoko, Tuzla - is de lokale economie door de oorlogstoestand volledig tot stilstand gekomen, en hebben honderdduizenden jongemannen weinig anders te doen dan strijd te leveren.

Toen in Bosnië-Herzegovina in april vorig jaar de oorlog definitief uitbrak, kort na de proclamatie van de onafhankelijkheid en de internationale erkenning, was van een functionerende staat Bosnië-Herzegovina al geen sprake meer. Zowel de Serviërs als de Kroaten hadden eigen legers gecreëerd en eigen pseudo-staten, waarin de wettige regering in Sarajevo niets meer te vertellen had, ook al hadden de Kroaten deze regering formeel als de hunne erkend.

De moslim-bevolking van Bosnië-Herzegovina stond voor de oorlog bekend als de meest pro-Joegoslavische, dat wil zeggen geporteerd voor de desnoods met harde hand bewaarde vrede tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Nog altijd kun je ervan uitgaan dat een huis door moslims werd bewoond, als men in de runes ervan een portret van de Joegoslavische leider Tito aantreft. In veel gevallen hebben de moslims zich in een overlevingsstrategie aangesloten bij de sterkste partij ter plaatse, en meegevochten tegen de ter plaatse als agressor gebrandmerkte partij: moslims vochten met Serviërs tegen Kroaten ofwel met Kroaten tegen Serviërs.

Die strategie heeft soms maar kort gewerkt: in het Servische West-Bosnië (rond Banja Luka) werd de moslims al spoedig te verstaan gegeven dat hun militaire inspanningen niet op prijs werden gesteld, en richtte het geweld zich tegen hen in de vorm van een "etnische zuivering'. Maar in Oost-Herzegovina bijvoorbeeld (rond Trebinja) hebben de Serviërs pas in de afgelopen weken de moslims verdreven, na eerst van hun aanwezigheid te hebben geprofiteerd.

De alliantie te velde tussen de Kroatische HVO en de moslims lijkt wat langer stand te hebben gehouden, al verschilt dat per plaats. In Mostar, door de Kroaten uitgeroepen tot "hoofdstad' van hun eigen staatkundige eenheid Herceg-Bosna, voelden de moslims zich al vlug onder een Kroatische bezetting leven. De situatie in Mostar nu doet het ergste vrezen: in de stad maken soldaten van het (moslim-) "Leger van Bosnië-Herzegovina' de dienst uit. De Kroatische HVO heeft stellingen betrokken op de heuvels rond de stad en controleert de toegangswegen - een potentieel Sarajevo in het klein.

Slechts in de stad Tuzla lijken Kroaten en moslims nog met elkaar militair samen te leven en tot op zekere hoogte ook in Sarajevo, al kwam het ook daar de afgelopen maanden tot schermutselingen, bijvoorbeeld rond de voorstad Stup, waar de Kroaten lange tijd een zwarte markt dreven, maar die nu geheel is verwoest. In Tuzla en Sarajevo zijn zelfs nog lokale Serviërs bij de verdediging van de stad betrokken.

Paradoxaal genoeg heeft het vredesplan Vance-Owen de aanzet tot de thans in volle hevigheid ontbrande strijd gegeven. Dat plan stipuleert geenszins dat in de als Servisch, Kroatisch of moslim- gedefinieerde provincies alleen nog maar vertegenwoordigers van deze respectieve bevolkingsgroepen zouden mogen leven. Vooral Serviërs en Kroaten vatten dat echter wel in die zin op, althans in termen van militair gezag, en gaan vanuit die gedachte over tot "etnische zuivering'.

In Centraal-Bosnië lijken de Kroaten nu de moslims te willen verdrijven uit "hun steden' als Travnik, Busovaca en Vitez, terwijl de moslims het tegelijkertijd op de Kroaten in "hun' Zenica hebben voorzien. Kiseljak, waar een hoofdkwartier van de VN-vredesmacht UNPROFOR is gevestigd, is een speciaal geval: volgens het plan Vance-Owen zou Kiseljak bij Sarajevo worden getrokken, de geneutraliseerde "open' hoofdstad van de gedecentraliseerde republiek Bosnië-Herzegovina. Maar voor dat idee ontbreekt het bij de drie oorlogspartijen al vanaf het begin aan elk daadwerkelijk enthousiasme.

Overigens is - afgaande op ervaringen bij de eerdere strijd - de huidige fase van de strijd de gruwelijkste. Nadat met veel primitieve gruwelen de verschillende, tot nu toe door elkaar wonende bevolkingsgroepen uit elkaar zijn gedreven, vormen zich min of meer ordelijke fronten waarlangs men elkaar op enige afstand kan beschieten.

De moslim-partij beschikt, in tegenstelling tot vorig jaar, inmiddels ook over een min of meer geregelde strijdmacht, het "Leger van Bosnië-Herzegovina', waarvoor op TV-Sarajevo met gelikte reclamespots vrijwilligers worden geworven, en waarin men dienst kan nemen tegen een bescheiden dagvergoeding in harde valuta, net als bij de Serviërs en Kroaten.

Niet altijd en overal is dit moslim-leger zo slecht bewapend of onbewapend als af en toe wordt aangenomen. Maar in ieder geval bestaat er iets van een bevelsstructuur, met aan het hoofd Sefer Halilovic, die in 1991 overigens nog aan de zijde van het Joegoslavische leger meevocht tegen de Kroaten. In de door de regering gecontroleerde pers van Kroatië is al maanden een felle haatcampagne tegen Halilovic gaande, waarbij de moslim-commandant er onder meer van beschuldigd wordt een spion in dienst van de Serviërs te zijn.

Overigens zegt Halilovic dat het zijn leger erom te doen is de eenheidsstaat Bosnië-Herzegovina te herstellen als een staat van alle drie de volkeren van de republiek. Zo'n samenleving, zij het in de vorm van een gedecentraliseerde staat, is ook de grondgedachte van het plan Vance-Owen. Na de omvangrijke Servische veroveringen lijkt het multinationale ideaal door de nieuwe moslim-Kroatische gevechten en etnische zuiveringen echter alleen maar minder realistisch te zijn geworden.