Omroepen verliezen hun identiteit in slag met commercie; Nationale omroep is al in de maak

Er is over de komst van commerciele omroep veel te doen geweest. De ervaringen hebben geleerd dat deze gepaard gaat met onprettige nevenverschijnselen. Door eenzijdige programmering trekt de commerciele televisie een groot publiek. De publieke _ dus niet commerciele _ omroep vreest verlies van kijkers en gaat in de concurrentieslag. Gevolg is, dat beide op elkaar gaan lijken. De taak van de publieke omroep om te voorzien in tal van behoeften en dan ook nog zonder winstoogmerk, raakt dan in de knel. Later zeggen politici; waarom zullen we de burgers omroepbijdragen uit de zak kloppen, als er voor niks televisie is. Slot van het communicatiedrama is, dat de publieke omroep verdwijnt of een marginaal bestaan gaat leiden.

Nederland zou Nederland niet zijn, als men dat zou laten gebeuren. Reeds het vorige kabinet-Lubbers verzon dat de publieke omroep best weerbaar zou kunnen worden gemaakt tegen het commerciele geweld. Daartoe zou samenwerking, coordinatie en versterking nodig zijn van het bestaande bestel. Omdat omroepen van elkaar verschillen, ligt samenwerking niet direct zo voor de hand. Men heeft zich toch aan de uitwerking van die opdracht gezet. Het moest ook wel, omdat de overheid de versterking van de publieke omroep pas zou effectueren, als samenwerking gestalte zou krijgen. Daarom zien we nu gezamenlijke activiteiten van AVRO, KRO en NCRV op het eerste net en TROS en VOO op het tweede net en zelfs een gezamenlijke rubriek als NOVA van NOS en VARA op het derde net.

Nu heeft elke omroep zijn eigen kleur (als het goed is) en zijn eigen verhaal, kijk op de wereld, aanpak van zaken. Hechte samenwerking op programmatisch gebied kan de duidelijkheid op die punten wel eens in de weg staan.

Het verschijnsel kan zich dan gaan voordoen _ en doet zich al voor _ dat niet altijd duidelijk is, welke omroep voor een programma nu eigenlijk verantwoordelijk is. Want op een avond zenden bijvoorbeeld op het eerste net AVRO, KRO en NCRV uit. Elke omroep levert zijn bijdrage. Maar al kijkend raakt men het spoor soms bijster: van wie is nu precies wat? Daar gaat een vervaging optreden die nu net helemaal niet de bedoeling is. Interessant zal zijn hoe de leden van die omroepen nu gaan reageren. Ofwel, hoe sterk zal het bindende element van die omroepen blijken te zijn?

Men zou denken, dat wie waarde hecht aan dit bestel, ook duidelijkheid eist van de omroepen inzake hun identiteit. In de stukken van de minister d'Ancona is daarvan niets terug te vinden. Wel spreekt zij voortdurend over "onderscheidenheid', die het publieke bestel moet kenmerken. Maar dat blijkt onderscheiden ten opzichte van de commerciele televisie te zijn.

Verder verlangt de minister een marktaandeel van vijftig procent, dat de publieke omroep moet halen door ondermeer een grote hoeveelheid programma's voor het grote publiek. Natuurlijk moet deze omroep ook het grote publiek bedienen, maar dit soort streefcijfers tendeert meer naar de commerciele tv.

De programmacoordinatie moet veel steviger worden, eerst per net en dan per drie netten. De minister deelt mee, dat zij zich daarbij zal baseren op ervaringen in Duitsland en Engeland die een manager per net kennen: dat is dus dirigerende zeggenschap vanuit een centraal punt.

De concessies gaan niet meer naar de omroepverenigingen, maar naar anderen. Bij de tv is dat het net, waarop men uitzendt. Bij radio gaat de zendtijdvergunning naar de NOS-nieuwe stijl. Dat is ook centralisatie. Vervolgens wordt die NOS-nieuwe stijl ook nog eens "bestuurlijk versterkt' zoals dat heet.

Volgens de minister moet een breed maatschappelijk draagvlak worden gecreeerd. In een land, waar de omroep bestaat uit verenigingen, waarbinnen de leden grote bevoegdheden hebben en waar van de zes miljoen huishoudens er vijf miljoen lid zijn van zo'n omroep, kan men toch niet gaan zoeken naar een breed maatschappelijk draagvlak? Breder dan nu, kan niet. Al deze gegevens bij elkaar moeten haast wel tot de conclusie leiden, dat of de minister, of het departement bezig zijn een nieuw soort nationale omroep te creeren. De concessies gaan niet naar de omroepverenigingen, de coordinatie is niet in handen van die verenigingen, de plaatsing van programma's mag een omroep niet meer zelf bepalen en de soorten te brengen programma's worden tot in hoge mate voorgeschreven.

Nu zou men kunnen zeggen: het is allemaal zo ingewikkeld geworden en het is zo moeilijk iets nog te maken wat de concurrentie kan doorstaan: laten we de boel maar opruimen en een nationale omroep stichten. Dat kan men misschien wenselijk achten. Maar dan is het toch zaak om dat dan ook maar duidelijk te zeggen.

Maar misschien is het departement bevreesd voor de lawine bezwaren die dan weer losbarst. De laden liggen nog vol stukken, brochures en nota's over nationale omroep van vlak na de oorlog. En het opmerkelijke is, dat wat toen als groot nadeel van die vorm van omroep werd gezien, ook voor de plannen van nu geldt.

Zo is de toegankelijkheid voor het publiek dan minimaal, de omroepgremia worden groot en log en kosten veel geld en de concurrentiekracht verzwakt. En tenslotte zal ook in dat systeem het parlement op een zeker moment zeggen: laten we alles maar commercieel doen, want dit kost allemaal te veel geld. En dan zakt de bijdrage van de omroep in het geloofwaardig functioneren van de burgers in dit democratische staatsbestel naar een minimum. De toegang tot informatie en cultuur wordt dan heel klein.

Nu geeft de minister een hoge prijs voor toeschietelijkheid van de omroep: wie braaf is en oplet, krijgt straks een concessie voor tien jaar. Wie zegt dan neen?

Zonder al die nationale-omroepmaatregelen kan een goede samenwerking zeer wel heilzaam zijn. Op een net kunnen afspraken gemaakt worden over de presentatie en coordinatie. Elke omroep moet zijn eigen kracht tonen. De geprofileerde omroepen moeten laten zien wie ze zijn en wat ze voorstaan. Voor het publiek wordt het programma dan wat duidelijker aangeboden.

Het bijzondere van de Nederlandse situatie is, dat groepen mensen verschillend denken en daar ook graag uiting aan geven. Dat is in het huidige bestel meer mogelijk dan in welke vorm dan ook. Dat moeten we _ ook in andere presentatie _ zo houden. Laat de nationale omroep buiten de deur blijven.