Nederland in de ramsj

Er bestaat een opvatting die erop neerkomt dat degene die het aandurft om in de Kalverstraat een winkel te openen, binnenkort een aanmoedigingssubsidie zal ontvangen van de Europese overheid. En wel in het kader van het stimuleringsbeleid ten behoeve van zwak-economische regio's. In die visie is Nederland aardig op weg om de positie van volksbuurt binnen het verenigd Europa over te nemen van Portugal en Ierland. Langzaam maar zeker zouden we in onze waterige uithoek afglijden tot onder Oud Amsterdams Peil en terechtkomen op het niveau van de rommelmarkt. Vier berichten van de afgelopen weken om dit sombere beeld toe te lichten.

Een groep internationale onroerend-goedadviseurs deed een onderzoek naar de prijzen van winkelruimten op toplocaties. Wat bleek daaruit? In Nederland liggen de huren spectaculair laag. Aan de Ginza in Tokio betaal je zeven keer zoveel voor een vierkante meter winkelruimte als in de Kalverstraat of de Haagse Spuistraat. Bij ons liggen de prijzen zelfs lager dan in traditionele uithoeken als Dublin, Luxemburg, en - tot overmaat van ramp - Warschau of Praag. De eens zo gewilde yuppenattractie, de P.C. Hooftstraat, doet al helemaal niet mee, en de duurste straat van Nederland ligt vandaag de dag in Maastricht, hoewel die nog steeds een factor twee à drie goedkoper is dan de winkelpromenades van München, Keulen, Parijs en de Váci Utca in Boedapest. Boedapest!

Nu zegt die huurprijs natuurlijk niet alles, maar wie het treurigmakende zootje in de Nederlandse binnensteden aanschouwt, wie de ogen durft te openen voor het geestesverstuikende aanbod aan goedkope confectie en met vunzigheid bedrukte shirts en kaartjes, en wie zich na sluitingstijd langs de tochtige coulissen, opgetrokken uit rolluik en zwerfvuil, durft te wagen tussen de psychisch ondermijnde stadsnomaden die er de afvalbakken leeggrazen, kan niet anders dan zich realiseren dat de grote namen van het Monopoly-bord zijn vervallen tot wanhopig opgepoetste ramsj-straten. Het Nederlandse winkelaanbod mist elke vorm van grandeur. En als het waar is dat de koper de winkel krijgt die hij verdient, dan is het met de grandeur van de Nederlander evenmin bemoedigend gesteld.

Welnu, soort zoekt soort. Wie zelf in het moeras leeft, zal slechts moerasliefhebbers aan zijn dis ontmoeten. Het tweede bericht van de afgelopen week luidt de noodklok over de Amsterdamse hotelbezetting. Tijdens het paasweekend is Nederland op de gebruikelijke wijze overspoeld door buitenlanders, maar - zo luidt het bericht - die lijken in toenemende mate hun intrek te nemen in goedkope hotels. De low budget adressen zaten propvol, de duurdere hotels stonden leeg. Het is niet echt verbazingwekkend. De paastoeristen zeggen naar Nederland te komen voor seks, weed en tulpen. Het laatste zullen ze niet aantreffen in Amsterdam, en de overige twee attracties laten zich slecht in verband brengen met dure hotels. Laten we er geen doekjes om winden: wat heeft een kapitaalkrachtige buitenlander die van stijl en comfort houdt in Amsterdam te zoeken? Winkelen in de Kalverstraat, of in één van de andere door plantenbakken en bunkerbouw ontzenuwde binnensteden? Holland is welbeschouwd één grote Ten Kate-markt.

Het lijkt of dit type ontmoedigende berichten lijnrecht staat tegenover de peptalk over onze stabiele economie en de harde gulden. Maar een mens hoeft geen econoom te zijn om in te zien dat dat iets anders is. Ook als de grote industrieën hun poorten sluiten of zichzelf uitverkopen aan het buitenland blijven de guldens rollen. Zoals in een buurt waar tussen de slager, groenteman en bakker zich geen enkele luxewinkel meer waagt de economie nog een hele tijd lekker kan doordraaien. Maar 't wordt er wel wat armetieriger op. Wat dat betreft is Nederland bezig een land te worden met de allure van een volkswijk; een overdaad aan aanbod, maar weinig elan.

Bericht drie. Nog maar een paar jaar geleden vertimmerde een Zweedse zakenman het voormalig postkantoor achter het paleis op de Dam tot het prestigieuze winkelcentrum Magna Plaza. Tegelijkertijd wist hij toestemming te krijgen voor de bouw van een wolkenkrabber, de Larmag-toren. Inmiddels heeft hij de toren verkocht voordat er één steen is gelegd, de gemeenteraad heeft de bouw ervan voorlopig drie jaar uitgesteld, in Magna Plaza haperen de roltrappen steeds vaker en sinds kort heeft de Zweed ook dat complex in de aanbieding. Dat doet bepaald niet denken aan rendabele projecten waarvoor men graag met een dikke portefeuille in de rij komt staan. Waarschijnlijk gaat Magna Plaza linea recta de Kalverstraat achterna, en zal het, zoals zo veel prestigieuze projecten in Nederland, eindigen als Pequena Plazita, met als belangrijkste vestigingen Zeeman, Xenos en de Bata.

In Nederland liggen de huren laag, en internationaal gezien zijn de gebouwen voor een appel en een ei te koop. Een Canadese belegger heeft daar blijkens bericht vier wel trek in. Met harde hand en zonder veel égards probeert hij zich meester te maken van twee vastgoedfondsen. Op de vraag of hij niet bang is dat hij het met zijn harde optreden bij ons verbruit, antwoordt hij veelzeggend: “Bang voor het Nederlandse establishment? Dat is vergane glorie.”

Eén ding is zeker: de groei-economieën, de bezieling en de goede locaties bevinden zich tegenwoordig in Oost-Azië. En een ander ding lijkt waarschijnlijk: binnen het modderende Europa ligt Nederland in de uitverkoop en gaat de Kalverstraat geruisloos het hoekje om: Dorpsstraat, Ons Dorp.