Kabinetten zonder toekomst

Naarmate de politieke ontzuiling doorzet en het blok zwevende kiezers groeit, gaan dagelijkse zorgen en directe belangen van het electoraat, eerder dan levensbeschouwing en traditie, sterker de stembusuitslag bepalen. Wat de kiezers bezighoudt is duidelijk. De mensen in het land willen een baan, een redelijk inkomen en deugdelijk onderdak. Zij willen in grote meerderheid wonen tussen Ons Soort Mensen. De overheid heeft de afgelopen kwart eeuw bovendien zelf in de hand gewerkt dat burgers veel van haar verwachten: veilige en schone straten, toegankelijke zorgvoorzieningen en behoorlijk onderwijs.

Nu de economie hapert en tekortkomingen van het overheidsoptreden bijna dagelijks voorpaginanieuws zijn, zwelt de kritiek aan. Het aantal "heenzendingen' van verdachten, uitbraken uit gevangenissen, de omvang van zogenoemde "kleine' criminaliteit en berichten over omvangrijke bijstandsfraude ondergraven het geloof in de rechtshandhaving. De Ziekenfondsraad stelt deze week een rapport vast waarin de eerste fase van de stelselherziening van de ziektekostenverzekeringen (het plan-Simons) een mislukking heet. De schaalvergroting bij scholen en de op handen zijnde invoering van het basisonderwijs brengen veel ouders en leerkrachten tot verzet, wanhoop, of doffe berusting. Van links tot rechts bestaat voorts ernstige kritiek op de wetsvoorstellen die beogen het beroep op Ziektewet en WAO te beperken.

Daar komt nu de verslechtering van de economische vooruitzichten overheen. Als gevolg van dit alles is de populariteit van de coalitiepartijen CDA en PvdA sterk teruggelopen. Het onlangs verschenen Centraal Economisch Plan 1993 bevat onder andere een ontluisterende vooruitblik op de resultaten van het derde kabinet-Lubbers. Naar huidige inzichten van het Centraal Planbureau neemt het aantal arbeidsplaatsen in de periode 1991-1994 in totaal toe met 240.000. Om de voortgaande sterke groei van het arbeidsaanbod op te vangen en de werkloosheid terug te dringen noemde het regeerakkoord van eind 1989 als doelstelling 400.000 extra banen. De koopkracht van de minima zal in deze kabinetsperiode gemiddeld genomen met 1 procent per jaar dalen. Dit is in strijd met de herhaalde verzekering dat het kabinet alles op alles zou zetten om de portemonnee van deze groep te beschermen. De economisch actieven gaan er daarentegen (wat) op vooruit, de inkomensongelijkheid neemt per saldo toe. Deze denivellering kan vanzelfsprekend verschillend worden beoordeeld, maar zij betekent vooral voor veel traditionele PvdA-stemmers ongetwijfeld een bittere pil.

Het kabinet lijkt erin te slagen het belasting- en premiepeil van 1991 op 1994 te stabiliseren; in de tussenliggende jaren lag het collectieve-lastenpeil echter hoger dan aan het begin en het eind van de rit. Ondanks de tegenzittende conjunctuur daalt het financieringstekort, maar niet helemaal tot de in 1994 beoogde 3,25 procent van het nationaal inkomen. Bovendien heeft minister Kok allerlei eenmalige inkomsten nodig om het tekort zo ver te doen krimpen. Zonder aanvullende miljardenbezuinigingen schiet het tekort daarom in 1995 weer omhoog. Het patroon van de collectieve uitgaven blijft in de lopende kabinetsperiode opvallend stabiel. Dat blijkt helaas ook uit het beloop van de overheidsinvesteringen, die fors omhoog zouden moeten. Ondanks alle retoriek nemen de publieke investeringen slechts toe van 1,6 tot 1,7 procent van het netto nationaal inkomen.

De teleurstellende gang van zaken in de collectieve sector, hoewel deels een gevolg van de ingezakte conjunctuur, wordt de zittende regeringsploeg aangerekend. Het kabinet heeft nog een jaar de tijd de bakens te verzetten, om daardoor het afbrokkelen van de aanhang onder de kiezers te stoppen. Maar de mogelijkheden daartoe zijn begrensd. Verbetering van de rechtshandhaving is een kwestie van lange adem, het plan-Simons is al tot ten minste 1995 in de ijskast gezet. Verder liggen banengroei en stijging van het nationaal inkomen grotendeels buiten de invloedssfeer van de Nederlandse overheid, aangezien het herstel van de nationale economie sterk afhankelijk is van een opleving van de wereldhandel. Om de overheidsfinanciën bij de heersende conjuncturele tegenwind min of meer op koers te houden, zal het kabinet vermoedelijk beslissen de sociale uitkeringen en salarissen van het overheidspersoneel in 1994 te bevriezen, terwijl tal van subsidies worden beperkt. Dit mijns inziens verstandige beleid levert wel rampzalige koopkrachtplaatjes op in de aanloop naar de Tweede-Kamerverkiezingen. De huidige coalitie heeft hierdoor geen toekomst.

Wat kunnen CDA en PvdA in deze omstandigheden doen om hun aantrekkingskracht op de kiezers te vergroten? Door de economische terugslag zijn de burgers mogelijk ontvankelijker voor de enige realistische campagneboodschap. Daarin zou centraal staan dat er geen enkele financiële ruimte is voor nieuw beleid, tenzij diep op bestaande posten wordt gesneden of de belastingen fors worden verhoogd. De ervaring leert dat geen enkele politieke partij, ook VVD en D66 niet, duidelijk durft aan te geven hoe men de benodigde miljarden denkt te bezuinigen. Het alternatief is een tamelijk inhoudsloze verkiezingscampagne, die op het lijf is geschreven van politici die volstaan met het vertellen van mooie verhalen. Van Mierlo kan dan blijven, de andere grote partijen moeten in dit geval ernstig overwegen hun leider te vervangen. Draait de campagne sterk rondom personen - een ontwikkeling die door sommigen al als onvermijdelijke Amerikanisering van de Nederlandse politiek is geaccepteerd - dan valt dat te betreuren, omdat het gevolg een kabinet zonder inhoudelijk mandaat van de kiezers is. En zo'n kabinet heeft geen toekomst.