Industriële bedrijven zijn het doelwit, een lokale partner blijft gewenst; Fransen jagen op Nederlandse investeerder

AMSTERDAM, 21 APRIL. Nederland doet het, economisch gezien, goed in Frankrijk. Met in totaal 12 miljard gulden was Nederland tussen 1989 en 1992 de belangrijkste buitenlandse investeerder in het land, zo schrijft Invest in France Agency (IFA), een Franse overheidsinstelling die zich bezighoudt met het aantrekken van buitenlandse investeerders, in een onlangs gepubliceerd rapport.

Het IFA-onderzoek, gebaseerd op cijfers van onder meer de Banque de France en de Kamers van Koophandel in Frankrijk, toont aan dat het aantal vestigingen van Nederlandse industriële bedrijven in Frankrijk in tien jaar tijd is verdubbeld, van 115 in 1982 tot ruim 260 vorig jaar. Deze behoren toe aan 76 moederbedrijven en zijn samen goed voor 38.000 arbeidsplaatsen. Dit forse aantal banen kan worden verklaard uit de aanwezigheid van drie industrie-reuzen: Shell, Unilever en Philips. Deze bedrijven zijn verantwoordelijk voor maar liefst 61 procent van de werkgelegenheid en 46 procent van de Nederlandse investeringen. Ondanks het feit dat het personeelbestand bij Philips krimpt, staat het met 12.000 werknemers nog steeds bovenaan de lijst van Nederlandse werkgevers in Frankrijk.

Toch zijn de Fransen niet tevreden. Met name de industriële investeringen blijven achter vergeleken bij andere landen, volgens Jean-Maurice Elkouby van het IFA-bureau in Amsterdam. Van de totale hoeveelheid investeringen die Nederlandse bedrijven in 1990 in Frankrijk hadden uitstaan (14 miljard gulden) bestond slechts de helft uit investeringen door industriële bedrijven. Daarmee is Nederland de zesde industriële investeerder in Frankrijk, na de VS, Duitsland, Groot-Brittannië, Zwitserland en België. En juist naar deze investeringen kijkt Frankrijk, geplaagd door een werkloosheid van ruim 10 procent, uit, omdat industrie een belangrijke leverancier van banen is.

Voor het achterblijven van industriële investeerders zijn twee redenen, volgens Elkouby. Enerzijds is de afstand tussen Nederland en Frankrijk zo klein, dat veel kleine en middelgrote bedrijven meer heil zien in export dan in vestiging in Frankrijk. Anderzijds telt een aantal grote bedrijven als Verkade en Douwe Egberts niet meer mee als Nederlandse investeerders, omdat ze zijn overgenomen door buitenlandse multinationals.

Het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) noemt het "achterblijven' van de industriële investeerders niet zo verwonderlijk. “De investeringen door institutionele beleggers zijn zo groot dat de industrie al snel achterblijft”, zegt E. Bouma, staffunctionaris internationale zaken van het VNO. “Bovendien heeft Nederland relatief gezien niet zo veel grote bedrijven en het is juist deze sector die vestiging in het buitenland overweegt.” Voorts, aldus Bouma, schrikken Nederlandse ondernemers nogal eens terug voor het beeld dat Frankrijk buitenlandse bedrijven achterstelt bij eigen ondernemers, op fiscaal terrein of bij het aanvragen van vergunningen. De vraag is, volgens de VNO-functionaris, of dat beeld nog klopt. “De tendens is dat Frankrijk zich meer en meer openstelt voor buitenlandse bedrijven, al raden we Nederlandse ondernemers nog steeds aan om bij investeringen in Frankrijk een lokale partner te zoeken om eventuele problemen te omzeilen.”

Ook De Nederlandsche Bank zet vraagtekens bij de "achterstand' van de industriële investeerders. “De verhouding half om half tussen industriële en overige investeerders is zo gek nog niet”, aldus een woordvoerder. “Als je kijkt naar de Nederlandse investeringen in het buitenland - in totaal 182 miljard gulden - dan zie je dat 102 miljard afkomstig is uit de industrie en 80 miljard uit de dienstverlening. Per land krijg je ongeveer hetzelfde beeld: de totale Nederlandse investeringen in Duitsland bedroegen eind 1990 17 miljard gulden. Daarvan kwam 8 miljard uit industriële hoek. Voor België geldt hetzelfde: van de 21 miljard gulden bestond 10 miljard uit industriële investeringen. Dus van "achterblijven' is nauwelijks sprake.”

Overigens hanteert De Nederlandsche Bank heel andere cijfers voor de Nederlandse investeringen in Frankrijk dan de IFA. Deze zouden tussen 1989-92 slechts 7,1 miljard gulden hebben bedragen en niet 12 miljard, zoals de IFA heeft berekend. “Wij hebben alleen gekeken naar puur Nederlands geld dat naar Frankrijk is gegaan. De IFA heeft waarschijnlijk ook investeringen meegerekend die buitenlandse instellingen via Nederland in Frankrijk hebben gedaan”, aldus de woordvoerder.

Ook de scheve investeringsbalans van Frankrijk zorgt ervoor dat de druk om buitenlandse investeerders aan te trekken toeneemt. Investeerden Franse ondernemers tussen 1985 en 1991 500 miljard franc (165 miljard gulden) in het buitenland, in diezelfde periode kwam het bedrag aan buitenlandse investeringen in Frankrijk niet verder dan 250 miljard franc (ruim 80 miljard gulden). Ter vergelijking: eind 1990 beliepen de directe Nederlandse investeringen over de grens 182 miljard gulden. De directe buitenlandse investeringen in Nederland bedroegen op dat moment 122 miljard gulden.

De vraag is of Nederland zijn positie als belangrijkste buitenlandse investeerder in Frankrijk kan behouden. Het aantal overnames is als gevolg van de recessie gedaald. Na het topjaar 1988 (23 overnames) is dat aantal gedaald tot 14 in 1989 en 8 in 1991. Daarmee is bijna het niveau bereikt van het begin van de jaren '80, toen buitenlandse investeerders met argusogen keken naar het socialistisch bewind en de opeenvolgende devaluaties van de franc, aldus Elkouby van de IFA. Het aantal oprichtingen daarentegen vertoont weer een stijgende lijn, van 2 in 1990 naar 4 vorig jaar.

De Franse overheid heeft inmiddels de jacht op de buitenlandse investeerder geopend. Er is een netwerk van IFA-kantoren opgezet, die bedrijven begeleidt bij vestiging in Frankrijk of helpt bij het zoeken van een Franse industriële partner. Ook is een speciale "ambassadeur' aangesteld die stad en land afreist om investeerders te lokken. Om de lagere echelons - regio's, departementen en gemeenten - niet in de wielen te rijden, houdt ambassadeur Tordjman, die dezer dagen Nederland aandoet, zich vrijwel uitsluitend bezig met het grote werk: investeringen van meer dan een miljard franc.

De Fransen hoeven de moed nog niet op te geven wat Nederland betreft. Ondanks de belangrijke rol die de Nederlandse investeerders in Frankrijk spelen, valt er nog wel wat uit te slepen: volgens gegevens van de Franse ambassade in Den Haag vloeide van de totale Nederlandse investeringsstroom tussen 1985 en 1992 slechts 7 procent naar Frankrijk.