Haardstel

Het soort literatuurbeschouwers dat de brandschoon beleden homoseksualiteit van een schrijver beschouwt als een entreekaartje voor het walhalla, daar ben ik niet dol op.

Dat homoseksuelen zelf ooit op zoek gingen naar sporen en verborgen tekenen van homoseksualiteit in kunst en literatuur, als bijdrage tot hun zelfbewustzijn, als identiteits-opkontje, als troost, het was begrijpelijk. Maar steeds vaker lijkt het of ze als politieagenten optreden en een bekeuring uitdelen aan iedereen die niet correct en publiekelijk de homoseksuele zaak dient of heeft gediend.

Dan redekavelen ze over wat er bij die-en-die schrijver zou hebben moeten staan, en niet over wat er staat. Ze vergeten dat het de schrijver zelf was die bepaalde hoe ver hij wilde gaan. Als een schrijver iets anders (of iets meer) bedoelde, had hij het wel opgeschreven.

Ik wil de charme van een homoseksuele esthetiek niet loochenen, en er zit vast ook veel moois in de sensibiliteit van een homoseksuele "radar', maar het neemt niet weg dat ik een "homoseksuele kijk', een "lesbische kijk' of een "vrouwelijke kijk' op de literatuur - zodra die in een theoretisch keurslijf wordt geperst - net zo bespottelijk vind als een theorie over de kijk van roodharigen of van brildragers.

Kwaliteit telt dan niet langer, alleen het bewijs van goed gedrag. Binnen de clan.

Nu moest in de Gay Krant Rob Tielman weer eens getuigen dat Guido Gezelle eigenlijk "een pedofiele homo' was. Niet een dichter met - in een bepaalde periode van zijn leven - een enorme verknochtheid aan een lievelingsleerling (waarover al duizend keer is geschreven), nee, Gezelle dient compleet over de streep te worden getrokken, moderne terminologie incluis.

Ach, de Gay Krant is het blad dat eens in een enquête vaststelde dat Jos Brink van alle Nederlanders het meest had gedaan voor de homo-emancipatie. Terwijl de grondslagen daarvoor eerst door honderden anderen, vaak onder minder vrolijke omstandigheden, waren gelegd en lieden als Jos Brink niets anders deden dan de vruchten plukken toen het bedje eenmaal veilig voor ze was gespreid.

Het tijdschrift voor het gemiddelde nichtenstel. Nichtenstel, ik weet niet hoe het komt, maar het doet me altijd aan haardstel denken. Homostel, bankstel. Voor dat soort lezers.

Dan is er natuurlijk het pijnlijke geval geweest van juffrouw Mieke Bal, professor in de theoretische literatuurwetenschap, die in de bundel De canon onder vuur Du Perron uit de literaire hemel donderde en naar de oubliëtte van homofoben en potenrammers verwees omdat hij in zijn roman Het land van herkomst een situatie had geschetst waarin een man niet gediend was van de attentie van een andere man.

Daar wil ik niet verder op ingaan. Dat was té pijnlijk. Ik denk dat mijn pink meer van homoseksualiteit in literatuur en kunst afweet dan de hele juffrouw Bal, en ik wil haar niet verpletteren onder het gewicht van mijn wijsvinger.

Dat soort literatuurbeschouwing is geen correctie op de dominante heteroseksuele kritiek, zoals ze beweren, het is een benarde groepskijk met zendelingsallure.

Ik ben me in de loop van mijn leven steeds minder met "de' homoseksuelen gaan identificeren. In welke mate dat verband houdt met persoonlijke ervaringen, met de omgang met mensen, met gedachten en fantasieën, met leeftijd en ontgoochelingen, het is een lang verhaal. Literair gezien boeit me de homoseksualiteit alleen vanwege de vragen van aanpassing en aanpassingsstrategieën die ze oproept.

Ik denk niet dat ik, doordat ik homoseksueel ben, bepaalde eigenschappen heb. Ik denk dat ik bepaalde eigenschappen heb en daardoor (ook) homoseksueel ben. Biografisch is homoseksualiteit zelden een goeie universele en zeker nooit de ultieme verklaringsgrond.