Geheime diplomatie

De kritiek op het vorige maand gepresenteerde voorstel van de Kamerleden Vreugdenhil (CDA) en Vermeend (PvdA) om de vermogensbelasting te herzien was zo massaal dat de initiatiefnemers er beduusd van werden. Dat laatste is begrijpelijk, want het gaat om een uitwerking van plannen die beiden al jaren uitventen: een beperking van de vermogensbelasting en een fiscale oppepper voor de industrie.

De verantwoordelijke bewindsman, staatssecretaris Van Amelsvoort (Financiën), heeft de Kamer bij herhaling zoet gehouden met toezeggingen die hij niet nakwam. Dan is het niet vreemd dat de Kamer uiteindelijk het heft zelf in handen neemt.

Men kan vinden dat parlementariërs met hun olifantspoten ver van de fiscale porseleinkast moeten blijven. Zo'n standpunt raakt de kern van het parlementaire systeem. Diplomaten, milieudeskundigen, generaals en politiecommissarissen vinden ook al snel dat volksvertegenwoordigers onvoldoende zicht op de nuances hebben om verantwoorde beslissingen te nemen. Toch heeft het parlement een verantwoordelijkheid als medewetgever, ook al missen Kamerleden de expertise van de wettenmakers die op de ministeries werken. Hun wetsvoorstellen zijn daarom technisch gesproken soms krakkemikkig. Dat van de aanpassing van de vermogensbelasting is hier en daar zelfs knullig. Maar daaraan valt nog van alles bij te schaven aan de hand van de kritiek van de Raad van State, wetenschapsmensen en fiscalisten in de praktijk.

Overigens vindt de beperking van de vermogensbelasting op zichzelf best wel een gunstig onthaal. Het duo Vreugdenhil/Vermeend wordt evenwel omsingeld door opgewonden critici waar het gaat om een klein onderdeel van de financiering van de plannen: de aanpak van zogenaamde rentegroeifondsen. Zelfs de Rotterdamse hoogleraar Stevens, die hen deze financieringsbron had aangereikt, laat weten dat hij het zó niet heeft bedoeld.

Met zo'n vermogensgroeifonds kan men de belastingdruk op beleggingsopbrengsten legaal beperken tot 35 procent. Dat is de vennootschapsbelasting die het fonds over de ontvangen rente moet afdragen. De spaarder die de gebruikelijke weg van een spaarrekening of obligatiebezit volgt, ziet de belastingdruk op zijn rendement soms oplopen tot 60 procent. De banken verklaarden daarom in agressieve advertenties iedereen voor gek die de fiscus meer dan 35 procent van de beleggingsopbrengst gunt.

De beide Kamerleden reageerden zoals de wetgever pleegt te doen bij belastingbesparingen die als confectie-artikel over de toonbank gaan: zij haalden de hakbijl uit de kast. Zij smeedden hun plannen met de stille steun van wettenmakers op het ministerie van financiën. Staatssecretaris Van Amelsvoort schaarde zich na het bekend worden van de plannen evenwel onverwachts achter de banken en de ondernemersorganisaties: het om zeep helpen van de rentegroeifondsen is onevenwichtig. De critici voorspelden een grote uittocht van vermogenden naar België. De rentegroeifondsen zijn, zoals fiscaal secretaris Van Laar van het NCW vorige week in Het Financieele Dagblad stelde, de laatste schuilplaats tegen onze in Europees verband ongekend hoge belastingheffing over rente en dividend.

Inderdaad is er internationaal gezien sprake van een wezenlijk probleem. Dat valt op te lossen door rente en dividend voortaan met maximaal 35 procent te belasten. Een dergelijke oplossing hebben veel andere landen gekozen. Zij lijkt evenwel een brug te ver voor de PvdA. Die kan moeilijk accepteren dat arbeidsloos inkomen er fiscaal beter afkomt dan arbeidsinkomen. Een volgende oplossing lijkt het ongemoeid laten van de groeifondsen. Een alternatieve dekking ter waarde van 150 miljoen gulden valt wel te vinden. Vreugdenhil, aangeslagen door de kritiek in de pers en enkele telefoontjes van invloedrijke CDA-leden, voelt wel voor die oplossing. Dat brengt de coalitie met Vermeend in gevaar, want zoiets komt feitelijk neer op het accepteren van het 35-procentstarief voor beleggingsopbrengsten. Voor de banken zijn dan de remmen los. Waarom nog een hoogbelaste spaar-, plus-, of leeuwrekening handhaven als het ook laagbelast kan? Ook het rechtstreeks aanhouden van aandelen Unilever zou dan nodeloos duur zijn. Via een "Unilever-groeifonds' wordt de druk voortaan beperkt tot 35 procent.

De banken staan nu voor een keuze. Ze kunnen gokken op de goede afloop. Ook kunnen ze de groeifondsen opgeven en aan een kat-en-muis-spel beginnen door alternatieve fiscaal aantrekkelijke beleggingsmogelijkheden te ontwikkelen. Dat is niet eens zo moeilijk. Maar misschien is het tijd voor wat geheime diplomatie. Er bestaat politieke wil de groeifondsen te sparen, mits de banken beloven deze vluchthaven niet verder uit te breiden en de politici in advertenties niet voor schut te zetten. Voor alle partijen zou dat wel eens een aantrekkelijker optie kunnen zijn dan een principiële confrontatie over de grondslagen van onze belastingheffing.