Bukman ontkent meningsverschil over mestbeleid

DEN HAAG, DEN HAAG, 21 APRIL. Minister Bukman (landbouw, CDA) ontkent dat hij met minister Alders (milieu, PvdA) van mening verschilt over het mestbeleid. Tijdens de behandeling van de begroting van Landbouw in de Eerste Kamer zei Bukman gisteren dat er tussen beiden een hoge mate van eensgezindheid bestaat.

Hij reageerde daarmee op berichten dat de CDA-top onlangs in het Catshuis geheime afspraken zou hebben gemaakt over versoepeling van mestmaatregelen om een breuk met de boerenachterban te voorkomen. Bukman liet er in de Senaat geen misverstand over bestaan dat hij met Alders vasthoudt aan een extra aanscherping van de mestnormen in 1995, druk van zijn partijgenoot en Senator Van Gennip ten spijt. Die pleitte er voor om boeren de verantwoordelijkheid te geven voor de uitvoering van het mestbeleid, met voor de overheid een rol op afstand.

Van Gennip, tevens directeur van het wetenschappelijk bureau van het CDA, brak een lans voor Mineraal Centraal, een plan waarmee het Landbouwschap aangeeft hoe de in het jaar 2000 vereiste evenwichtsbemesting (net zoveel mest op het land als de gewassen kunnen verwerken) kan worden bereikt. Centraal in dat plan staat invoering op elk boerenbedrijf van een mineralenboekhouding. Een dergelijke boekhouding brengt een eventueel overschot aan mineralen zoals fosfaat en stikstof aan het licht. Wanneer er sprake is van een overschot, moet de boer een heffing betalen. Alders en Bukman zijn voor invoering van dit systeem, maar verschillen met het Landbouwschap van mening over het tijdstip waarop dat kan gebeuren. Volgens het schap kan dat al in 1995, volgens de bewindslieden is de intrductie van een waterdicht systeem niet eerder mogelijk dan in 1997.

Volgens Van Gennip moeten de bewindslieden dit plan nu accepteren in plaats van met eigen strenge maatregelen te komen om het mestoverschot terug te dringen. Van Gennip: “Een afwijzing, een breuk terzake, zal het ijs van de vertrouwensrelatie, het zo dun geworden ijs, doen scheuren en breken. Een getergde beroepsgroep, die afhaakt, brengt ons de perspectieven op een evenwichtssituatie verder uit het zicht dan ooit. Het eerste slachtoffer is dan het milieu, het tweede de economie. Maar bij een confrontatie verliest ook de regering.” De bewindslieden moeten er alles aan doen om met de agrariërs tot overeenstemming te komen, vindt Van Gennip. “Het kan toch niet stuk lopen op vijf procent fosfaat meer of minder.”

Grootschalige fabrieken die het mestoverschot moeten wegwerken, zijn volgens een onderzoek van het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) in het jaar 2000 zo goed als overbodig. Anderhalf jaar geleden ging de overheid ervan uit dat er voor het eind van de eeuw 25 van dergelijke fabrieken zouden moeten worden gebouwd. Volgens de gisteren gepubliceerde onderzoeksresultaten is de veestapel in 2000 zo ver gekrompen dat er nog slechts een klein mestoverschot overblijft; 22 miljoen kilo fosfaat. Als gevolg van het milieubeleid kan die hoeveelheid niet in Nederland worden afgezet. Daarvan wordt tweederde geëxporteerd als droge pluimveemest. De resterende zeven miljoen kilo moet nog wel in fabrieken worden verwerkt tot korrels voor de export. Daarvoor zijn drie tot vier fabrieken nodig van het type Promest, zoals die nu in Helmond staat. Omdat de mestverwerking nog steeds niet rendabel is gebleken, zijn investeringen uitgebleven.

In eerdere studies, inclusief die van het LEI, werden mestfabrieken nog steeds nodig geacht. “Andere studies gingen uit van een constant blijvende veestapel”, zegt LEI-directeur L. Zachariasse. “Wij gaan er nu van uit dat de veestapel afneemt.”