Bezetting

Op Anneke's afdeling wonen zeventien demente bejaarden. Dat zijn zes begrafenissen per jaar. Op z'n minst.

Je probeert die mensen meer te geven dan alleen verzorging. Je probeert ze een thuis te geven. Je leeft met ze samen. Je hecht je.

Lieve ouwe dametjes - die vertederen wel, je knuffelt ze, je bent goed voor ze, toch zijn ze gauw vergeten.

Je hecht je vooral aan mensen die iets weerbarstigs hebben, een geheim, zo'n kleinigheid die een heel leven kan runeren; die in de verdrukking hebben gezeten, die hebben moeten knokken voor een waardig bestaan, die iets hebben opgebouwd en het weer zijn kwijtgeraakt.

Soms, op een begrafenis, is zij de enige die huilt. “Iedereen praat over het weer, het werk, de vakantie. Ze hebben niet eens het fatsoen om stil te zijn. En dan komt er ook nog een nicht naar je toe om naar tante's bontjas te informeren.”

Afijn, het leven. Iemand is nog niet afgelegd of ze heeft de RIAGG al gebeld. Wie staan er bovenaan de lijst? En zo mogelijk dezelfde dag nog op huisbezoek. Dan zit je tegenover de volgende aan wie je je zult hechten, die je over een paar jaar zult gaan begraven. Maar zo zie je dat niet. Je ziet een onhoudbare situatie, iemand die de greep op zichzelf heeft verloren, die geholpen moet worden.

Je moet trouwens ook om je bezettingspercentage denken.