Autobiografie in zelfportretten van Duitse schilder; Max Beckmann als clown, beul en man van de wereld

Tentoonstelling: Max Beckmann. Zelfportretten. T/m 23 mei in de Hamburger Kunsthalle. Di-zo 10-18u. do 10-21u. ma gesloten. Catalogus 30,- DM

Een autobiografie in zelfportretten. Zo zou men de tentoonstelling van Max Beckmann in de Hamburger Kunsthalle kunnen noemen. Zesentwintig schilderijen en één bronzen portretkop geven een compact en indringend beeld van de stilistische ontwikkeling en de persoonlijke lotgevallen van deze Duitse schilder.

In 1900 schilderde Beckmann op zestienjarige leeftijd een Jugendstilachtig portret van een jongeling die in de avondschemering bellen zit te blazen. Precies vijftig jaar later ontstond in de Verenigde Staten het laatste zelfportret. Gekleed in blauw colbert en oranje overhemd met das spreekt uit zijn houding iets dubbelzinnigs: nonchalant staat hij met een hand in zijn zak, terwijl hij tegelijk gespannen aan een sigaret trekt.

Wat is er gebeurd in de tussenliggende periode? In het begin ontwikkelde Beckmann zich razendsnel tot een zelfbewuste, succesvolle schilder van complexe figuurstukken. Met thema's als de kruisiging, de opstanding en de zondvloed zocht hij aansluiting bij kunsthistorische tradities. Beckmann was geen vernieuwer, het werk van Matisse wees hij als 'decoratief behang' van de hand. Zijn eigen stijl hield het midden tussen academisme en een soort ingetogen impressionisme. Een voorbeeld is het mooie, melancholieke dubbelportret met zijn eerste vrouw Minna Tube (1909) dat de rust ademt van de gezeten burgerij.

De Eerste Wereldoorlog bracht verandering. Bleek en opgejaagd door zijn angstige ervaringen als soldaat/ziekenverzorger aan het Oostfront en in Vlaanderen, schilderde Beckmann zichzelf in 1917 in hoekige lijnen en vlakken. Zijn nieuwe manier van schilderen herinnert soms aan 16de-eeuwse Duitse schilderkunst. Het tweede dubbelportret op de tentoonstelling ontstond in de zomer van 1925 ter gelegenheid van Beckmanns huwelijk met Mathilde 'Quappi' Kaulbach. Het paar is gekleed in carnavalscostuum: Beckmann als een wat hulpeloze clown en Quappi als alerte amazone te paard. Het doek werd in het jaar van ontstaan aangekocht door het Städelsche Kunstinstitut in Beckmanns woonplaats Frankfurt.

In 1933 werd zijn werk en dat van andere 'entartete' kunstenaars door de Nationaal-Socialisten uit de musea verwijderd. Vier jaar later vertrok Beckmann naar Nederland in de hoop daar een visum te kunnen bemachtigen voor de Verenigde Staten. Toen dit niet lukte bracht hij noodgedwongen de oorlog in Amsterdam door. Hier schilderde hij op een tabakszolder aan het Rokin het Zelfportret met Quappi dat nu in Hamburg hangt, maar sinds 1945 in bezit is van het Stedelijk Museum Amsterdam.

Deze drie dubbelportretten markeren niet alleen de verschillende levensfases van de kunstenaar, maar maken net als de andere zelfportretten op de tentoonstelling ook in vorm en kleur Beckmanns persoonlijke visie op het menselijke bestaan zichtbaar. Hij bezag de wereld als een toneel, waarop iedereen, ook de kunstenaar, wisselende rollen vervult. In de portretten treedt Beckmann op als clown, als ziener met glazen bol, als beul met zwarte handschoenen en in smoking als man van de wereld. In de catalogus wijst Carla Schulz op overeenkomsten tussen dit laatste portret uit 1927 en de tekst 'Der Künstler im Staat' die Beckmann in datzelfde jaar publiceerde. Hierin noemt hij de kunstenaar de "eigenlijke schepper van de wereld". Einddoel is de "oplossing van het mystieke raadsel van het evenwicht", kunstenaar en gehele mensheid worden "zelf God, d.w.z. zelf vrij".

Dit klinkt nogal hoogdravend en het wordt zelfs een beetje lachwekkend als Beckmann een pleidooi houdt voor een "aristocratisch bolsjewisme", waar iedereen, ook de arbeider, bij festiviteiten in smoking verschijnt. Maar zag Mondriaan zichzelf niet als wegbereider van een nieuw, harmonisch wereldstelsel en was Beuys in de ogen van zijn bewonderaars niet een kunstenaar-sjamaan? Zonder Beckmanns tekst gelezen te hebben, herkent men in het Zelfportret in smoking een meesterlijke verbeelding van het soevereine individu, in volmaakt evenwicht met zichzelf en zijn omgeving. Het ging Beckmann, zoals hij later in een lezing zei, om de ogen en niet om een "cerebraal geschilderde wereldbeschouwing, zonder de enorme passie van de zintuigen voor iedere zichtbare vorm, mooi of lelijk."

Beckmanns nietsontziende analyse was gericht op het eigen ik, op het individu in verhouding tot de wereld. In de verschillende vermommingen blijft de kunstenaar zelf, met zijn karakteristieke, onverzettelijke kop herkenbaar aanwezig. Zo levert Beckmann een bijdrage aan de discussie over de Post Human tentoonstelling die eveneens in Hamburg te zien is (tot en met 9 mei in de Deichtorhallen). Anders dan voor sommige hedendaagse 'posthumane' kunstenaars was voor Beckmann persoonlijkheid nog geen vervangbaar wegwerp-produkt.