Romario en Coppens

Hij sloeg het voorbije weekend ten minste tweemaal een kruisje - Romario. Beide keren had hij gescoord. Goede huwelijken en doelpunten worden blijkbaar in de hemel gesloten en hij is er onze Lieve Heer erkentelijk voor. Maar het opperwezen is dan ook de enige die op zijn dankbaarheid staat mag maken, want alle anderen die bij PSV werkzaam zijn roepen eerder zijn verachting op dan zijn appreciatie. Enkele jaren lang heeft men dat, soms morrend, soms berustend verdragen. Ook het publiek lag voornamelijk aan de voeten van deze kleine Braziliaan, maar daarin komt een kentering. “De mensen moeten blij zijn dat Romario in Eindhoven zijn kunsten nog steeds wil vertonen”, riep een commentator met bijna-overslaande stem. Ook hij was totaal in de ban van de virtuoze doelpuntenmaker, want hij voegde er aan toe: “De spelers die kritiek op hun ploeggenoot hebben, staan zo ver in zijn schaduw dat zij blij zouden moeten als zij Romario's schoenen mochten vastmaken”. De spreker wist even niet dat de slavernij al lang geleden is afgeschaft.

De kentering bleek tegen FC Utrecht, wiens defensie de bibberaties kreeg als de bal ook maar in de buurt van Romario vertoefde. Maar het eens zo hondstrouwe Eindhovense publiek was zo vrijmoedig Romario nu ook eens kritisch te volgen, zodat er af en toe gefluit uit de rangen klonk, want de Zuidamerikaan liet ook het een en ander aan kansen liggen. Dat zag men kort geleden nog blijmoedig over het hoofd, in afwachting van het volgende stuntje, maar die tijd is voorbij. Het wordt inderdaad tijd, dat hij vertrekt naar elders, hoewel ons voetbal daar armer van zal worden, want hij was en is op zijn terrein een fenomeen. Maar je kunt niet blijvend geaccepteerd worden in een ploegsport, als je alle anderen minacht. Daar is een prijs voor. Het is Romario's eigen belang nu extra goed te spelen, opdat er alsnog een welvarende koper zich meldt. Maar zijn egocentriciteit is hem vooruit gesneld. Men weet wie men in huis haalt: de grandioze fabrikant van uitzonderlijke doelpunten, maar ook de ruziezoeker, de man die alleen zichzelf goed vindt, de eenling zonder respect voor anderen.

Zo'n man is een uitzondering, die alleen in zijn eigen gareel wil lopen. Maar het type komt en kwam voor. Rik Coppens, die nu bijna 63 jaren telt, was er zo een. Even bijzonder als Romario, hoewel wellicht in technisch opzicht iets minder briljant. Op zijn zestiende kwam hij in het eerste elftal van Beerschot en op zijn achttiende daverde hij het nationale team binnen. Hij was vrijwel niet van de bal te zetten: de kont achteruit, de armen breeduit zwaaiend, de bal aan de voeten en bijna nooit wist een verdediging hoe het aanvalsplan van Coppens in elkaar zou steken. Hij was een bluffer, een fantast, een eenling die nooit voor de ploeg maar altijd voor zijn ego voetbalde, maar zijn klasse was overduidelijk. Op het repertoire van de Antwerpse visboer - opschepper prijkte altijd de stunt om zogenaamd niet te weten hoe zijn directe tegenstanders heetten. “Terlouw? Wie is dat?”, placht hij aan de vooravond van een broederstrijd tussen Oranje Leeuwen en Rode Duivels te kraaien. Soms speelde hij Terlouw inderdaad weg (in 1952 en 1954) maar hij op zijn beurt had ook wel eens een ravenzwarte dag, zoals in '59, bij de 9-1 in Rotterdam. Niettemin heeft hij aan het Belgische voetbal iets toegevoegd: de klasse van de ras-individualist, die met tegenstanders en voetbalwetten placht te spotten en te jongleren. Hij heeft de Duitse verdediger Liebrich ooit op een vreselijke manier voor paal gezet door hem aan alle kanten te passeren met een bravoure en een "Spielwitz', die zeer on-Duits waren. En Liebrich was toen toch de stopper-spil van het wereldkampioenschapselftal van '54.

Het ergelijke aan Coppens en Romario is, dat zij zich niet verbonden voelen aan het elftal waarin zij spelen, laat staan de club waarvan zij lid zijn. Toen Coppens uitgevoetbald was, is hij trainer geworden maar met gering resultaat. Hij is geen man om anderen de fijne kneepjes bij te brengen. Ook van Romario valt dat waarschijnlijk nauwelijks te verwachten, al moet je hem op dat vlak vooralsnog het voordeel van de twijfel geven.