Politieke onrust en conjunctuur leidden tot crisis in EMS

ROTTERDAM, 20 APRIL. Falend overheidsbeleid bij de terugdringing van inflatie en financieringstekorten, politieke onzekerheid en uiteenlopende conjuncturele bewegingen zijn de oorzaken geweest van de valutacrisis in het Europese Monetaire Stelsel (EMS). Dit schrijft het Comité van presidenten van de centrale banken van de EG in zijn jaarverslag over 1992, dat vanmiddag is gepubliceerd.

Het afgelopen jaar is de samenwerking tussen de centrale banken van de EG “ongemeen zwaar op de proef gesteld”, aldus het verslag. De onverwachte uitslag van het Deense referendum over het verdrag van Maastricht, juni 1992, fungeerde als katalysator voor de ernstigste crisis binnen het EMS sinds de oprichting in 1978. In vijf maanden tijd hadden drie wisselkoersherschikkingen, de opschortig van de deelname van het pond en de Italiaanse lire aan het wisselkoersarrangement van het EMS en een vierde herschikking begin 1993 plaats. Het jaarverslag geeft een bijna spannend opgeschreven chronologie van de crisis die vanaf september 1992 tot begin 1993 het EMS teisterde - zonder hieraan overigens nieuwe inzichten of tot nu toe onbekende details toe te voegen.

In de tweede helft van 1992 was, aldus het verslag, sprake van “intens speculatief marktgedrag”, dat begon bij kwetsbare valuta maar zich steeds verder uitbreidde. “De situatie begon kenmerken te vertonen van een speculatieve vlucht, waarbij sprake was van zichzelf voedende, ongegronde wisselkoersverwachtingen op de korte termijn.” De centrale banken konden met het ter beschikking staande instrumentarium van rente en interventies het speculatieve geweld slechts ternauwernood keren. “De nog niet eerder voorgekomen reeks van vier herschikkingen binnen een tijdsbestek van vijf maanden benadrukt de problemen die de autoriteiten ondervonden om de rust op de valutamrkten te herstellen.” Onvoldoende aandacht is besteed aan het herstel van de geloofwaardigheid van het wisselkoersstelsel, aldus het verslag.

De bankpresidenten leggen de schuld voor de dieper liggende oorzaken van de crisis bij de overheden. Deze hebben de afgelopen jaren onvoldoende voortgang geboekt met vermindering van begrotingstekorten en beteugeling van de lookosten, terwijl ondanks de zwakke econonomie de inflatie onvoldoende is bedwongen. De centrale banken, in het bijzonder de Bundesbank, hadden geen andere keus dan het monetaire beleid te verkrappen.

Het was onvermijdelijk dat de tweespalt tussen het begrotings- en monetaire beleid moest leiden tot oplopende valutaspanningen. Handhaving van de spilkoersen in het EMS door renteverhoging werd in een aantal landen onverenigbaar met de vereisten van lagere rente in verband met de binnenlandse economische stuatie. In de financiële markten groeide de overtuiging dat “er grenzen waren aan de bereidheid van de autoriteiten” in landen met een zwakke conjunctuur en een hoge schuldenlast om ter verdediging van de spilkoersen de rente te verhogen.