Italiaanse overgang

DE ITALIANEN WILLEN dat een einde komt aan de macht van de politieke partijen die 45 jaar lang onder leiding van de christen-democraten de gang van zaken in het land hebben bepaald. Die conclusie is gerechtvaardigd na de uitslag van het referendum van afgelopen weekeinde, waarbij een overweldigende meerderheid stemde voor wijziging van het stelsel voor verkiezing van de Senaat. Maar waar dit met straatfeesten gevierde resultaat van volksraadpleging toe leidt, blijft voorlopig duister.

De Italiaanse premier, Amato, heeft zijn land een geheel nieuwe politieke klasse toegewenst. Die ontstaat echter niet door een referendum waarbij is gekozen voor een districtenstelsel in plaats van het huidige proportionele stelsel voor de verkiezing van de Senaat. De wetgeving voor een nieuw kiesstelsel moet worden gemaakt door de zittende politici. Enthousiast zullen die niet werken aan beperking van de macht van hun eigen partijen. Daarbij is overigens de vraag of een districtenstelsel, waaraan nu ook voor de verkiezing van de Kamer van afgevaardigden niet valt te ontkomen, werkelijk een aantasting van de partijmacht tot gevolg heeft.

De vele uiteenlopende scenario's voor het verdere verloop van de Italiaanse omwenteling hebben één ding gemeen : ze leiden niet tot een snel verdwijnen van de traditionele politici. Of er nu spoedig verkiezingen komen, of het land wordt omgevormd tot een federatie, of de christen-democratische partij een andere naam kiest, voorlopig blijven de politici van de wegens corruptie en relaties met de georganiseerde misdaad verguisde partijen een sleutelrol spelen bij het veranderingsproces.

Dat kan ook niet anders. Mario Segni, de leider van de beweging die met het referendum de christen-democratische macht wilde aantasten, komt zelf uit die partij. President Scalfaro, met zijn reputatie van onkreukbaarheid, is een doorgewinterde christen-democraat en premier Amato was de rechterhand van Craxi, de voormalige socialistische minister-president die door de justitie van corruptie is beschuldigd.

ZEER VEEL Italianen zijn betrokken bij de corruptie die nu door magistraten met bijna calvinistische rechtlijnigheid aan de kaak wordt gesteld. In Italië is een voor Westerse begrippen uitzonderlijk groot deel van de economie via de staatsholdings Iri en Eni in handen van de overheid. Dat betekent dat de politieke partijen jarenlang zeer veel banen en andere gunsten te verdelen hadden en ook iets terug konden vragen. Managers maakten er geen geheim van dat zij hun banen kregen dankzij hun goede relaties met bepaalde politici.

Zoals na de ondergang van het fascisme in Italië vrijwel geen fascist meer te vinden was, zo is bij de staatsondernemingen nu vrijwel niemand meer te vinden die verklaart een vriend van een politicus als Craxi te zijn. De wind is gedraaid en iedereen steunt de magistraten van de actie Schone Handen, zolang hij zelf geen moeilijkheden krijgt. Fiat-topman Agnelli heeft de justitie zelfs geprezen in de hoop daarmee de problemen voor zijn onderneming wegens betrokkenheid bij corruptie te kunnen beperken.

Daarmee is de steekpenningencultuur nog niet verdwenen. Dat is zaak van een lang proces, dat moet worden geleid door de mensen die zelf zijn opgegroeid binnen het nu verfoeide systeem. De justitie, die met de vervolging van nu al meer dan 2600 van corruptie beschuldigde politici en ondernemers de omwenteling op gang heeft gebracht, kan er niet aan ontkomen zich bij de zuiveringen ten slotte te beperken tot de ernstigste gevallen. Er valt niet te verwachten dat de overgang naar een nieuwe Italiaanse republiek met politici van onbesproken herkomst snel is voltooid.