Irrelevant Duitslandbeeld

Vraag een willekeurig aantal mannen wat ze vinden van hun schoonmoeder en je krijgt "het schoonmoederbeeld' van de man. Vraag honderd Nederlanders wat ze vinden van Surinamers en je hebt "het Surinamerbeeld' van de Nederlander. Dergelijke informatie is evident verdacht en irrelevant. Waarom wordt dan dat zogenaamde "Duitslandbeeld' toch telkens weer opgepoetst en serieus genomen?

Een van de auteurs van de recentste studie naar het "Duitslandbeeld' bij Nederlandse jongeren relateert het negatieve beeld aan een extreme vorm van nationalisme, en volgens J.L. Heldring (in zijn column van 13 april) is het beeld van de Duitse boeman zelfs een onderdeel van de Nederlandse identiteit.

Een van de punten van kritiek op het rapport van Clingendael is dat de bevindingen van de enquête een vertekend beeld geven door het moment van de ondervraging (de racistische uitbarstingen van vorig jaar). Die kritiek leidt alleen maar tot de conclusie dat het onderzoek moet worden herhaald. Zinvoller is ongetwijfeld de kritiek dat de informatie voorspelbaar en dus irrelevant is. Dat is waar, maar het is niet uitgesloten dat het "Duitslandbeeld' verandert en dus minder voorspelbaar wordt.

Een blijvend bezwaar tegen dergelijke studies is de statusverhoging van het zogenaamde "beeld' temidden van de vele factoren en feiten die de internationale betrekkingen bepalen. Alsof de beeldvorming bij Nederlanders van andere nationaliteiten, en van zichzelf, een zelfstandige en betrouwbare peilstok zou zijn voor de relaties tussen ons land en zijn omgeving. En dan zou natuurlijk de beeldvorming bij onbedorven jongeren een nog authentieker, nog harder gegeven zijn. Vele andere, zichtbare feiten, zoals het feit dat de officiële en zakelijke relaties tussen Nederland en Duitsland uitstekend zijn, krijgen van de weeromstuit de status van oppervlakkigheid, op opportunisme gebaseerd en dus veranderlijk met de conjunctuur. De echte identiteit en het fundament van de verhoudingen met anderen zitten in zelfbeeld en beeld van de ander.

Dit is een omkering van de zaak. Het is niet waar dat de Nederlandse identiteit in belangrijke mate gevestigd is in de beelden die wij hebben van onze buren of in het "zelfbeeld' van onze natie. Mijn persoonlijke identiteit schuilt toch ook niet mijn zelfbeeld? Wat ik van mijzelf vind is voor mijn identiteit ten hoogste indirect relevant. Een persoonlijke identiteit schuilt in naam, uiterlijk, verrichtingen die op iemands naam staan, status, karakter, geestelijke integriteit. De nationale identiteit zit in naam, taal, status, geschiedenis, volksaard enzovoorts. Een klein onderdeel van de volksaard is het zelfbeeld.

Het is waar dat nationale zelfbeelden en andere collectief-psychologische factoren in de internationale verhoudingen soms een belangrijke rol spelen. Maar dit gebeurt in situaties waarin de meer feitelijke elementen van nationale identiteit (naam, geschiedenis, geografie, inwendige structuur en uitwendige positie) geen houvast meer geven, zoals in Joegoslavië. Dit is een pathologische situatie, die door elk verstandig mens als een degeneratie van verhoudingen wordt gezien. Net zogoed overigens als de situatie waarin iemands persoonlijke identiteit ten slachtoffer valt aan zijn psychologische mechaniek of chemie. Dit zegt niets over de status van die psychologie. Psychische factoren kunnen een identiteit wel ontregelen, maar niet bepalen.

In de relatie tussen Nederland en Duitsland, zoals in een volwassen relatie tussen mensen die tot elkaar zijn veroordeeld, spelen beelden en clichés een ludieke, ondergeschikte rol. De beeldvorming is vrijwel irrelevant voor een verstandige bespreking van nationale identiteit, nationalisme of van de verhoudingen tussen deze twee landen. Wie haar als sociologisch onderzoeker serieus neemt, begaat een fout. Hij doet alsof een pathologische situatie, met haar omkering van waarden, met haar vervanging van feiten door clichés, al is ingetreden. Of, erger, hij doet alsof die situatie nog bestaat. Oude koeien, komkommersociologie.