Iets ergs

De eerste keer. Ze was zeventien. Net begonnen in een bejaardenhuis. Zaterdagmorgen. Kamer 14.

Eten en aankleden deed die vrouw zelf. Met het zwachtelen van haar benen moest ze geholpen worden. Anneke maakte de deur open met haar loper.

Ze lag half in de keuken, half in de wc. Haar gezicht onder de havermout. Bord op de grond, lepel ernaast. Tong uit haar mond en nou ja, een scène uit een gruwelfilm.

Anneke holde naar de directrice. Ze zei dat er iets ergs was gebeurd. En de directrice eropaf. Heel kordaat: “Die kan hier niet zo blijven liggen. Ik pak haar bij de armen, pak jij de benen maar.”

Ze durfde niet. Nog nooit had ze iemand aangeraakt die dood was. En die directrice deed niets om het makkelijker te maken. Nu, achttien jaar later, zelf afdelingshoofd, is ze in een dergelijk geval alert op de reactie van jonge personeelsleden. Niemand hoeft zich flink te houden. Huilen is menselijk.

Nu denkt ze bij elk sterfgeval wel even aan haar eigen dood. Nu kan ze zeggen: het is goed zo. Toen was er alleen de schrik, die ijzige ontzetting.

En nóg, als iemand op zo'n manier wordt aangetroffen...je gelooft misschien dat het voor de dode geen verschil maakt. Maar voor háár wel. Je wordt in bed geboren en in bed ga je dood, zo hoort het nou eenmaal.