Hoogst tegendraadse bekentenismuziek van componist Luigi Nono

Concert: Raphael Kwartet, Thomas Demenga (cello), Johan Faber (slagwerk), Eleonore Pameijer (fluit), Jet Sprenkels en Ernestine Stoop (harp) en pianoduo Wyneke Jordans en Leo van Doeselaar. Werken van Tsoupaki, Debussy-Hamburg, Van Vlijmen, Altena en Roosendael. Gehoord: 17/4 Kleine Zaal Concertgebouw, Amsterdam. Uitzending: Vara Radio 4 23/4 20.02 uur.

“Lelijk in de luier, een schoonheid in de sluier”, zo luidt een volkswijsheid, die ook van toepassing is op menig aanvankelijk afgeweerd kunstwerk. "La Revue du Temps Present' publiceerde in 1909 een enquête onder de titel Le Cas Debussy, waarin Paul Flat schreef: “Een kunst die leeg is, koud en abstract, de meest dode sinds lange tijden”. Vooral Debussy's Prélude a l'après-midi d'un faune als initiator van een nieuwe stijl moest het ontgelden en dan te bedenken, dat we vandaag de dag niets zo mooi vinden als juist deze uiterst verleidelijke droom van de faun.

Helaas, de bewerking van Jeff Hamburg, die zaterdagmiddag werd uitgevoerd tijdens de Vara-matinee in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw, op een programma met liefst vijf premières, was in staat Le Cas Debussy weer in de herinnering op te roepen. Want deze zetting voor fluit, twee harpen en twee piano's klonk inderdaad leeg en koud, afgezien van de fraaie fluitsolo die schitterend strak werd geblazen door Eleonore Pameijer en voor deze gelegenheid zelfs werd doorgetrokken naar de orkesttutti. Niets bleef er over van de klankkleuren van de hoorns en andere orkestrale weelde, hoe genuanceerd Leo van Doeselaar ook trachtte te fraseren, daarbij geholpen door een opmerkelijk voortvarend tempo.

Voor precies dezelfde bezetting componeerde Calliope Tsoupaki Orphic Fields, plezierig om naar te luisteren, met weinig pretenties, maar met ook weinig afwisseling. Een kort en krachtig statement daarentegen leverde Puls van Maarten Altena, dat zich beperkte tot een karige set trommels: ruig en direct, een kolfje naar de hand van Johan Faber, op wiens lijf deze no-nonsense-muziek leek geschreven.

Op papier was die duidelijkheid er ook in Jan Rokus van Roosendael's gesegmenteerde Drone voor strijkkwartet (de titel verwijst naar de voortdurend aangehouden losse g-snaar), maar wat klank betreft leverde het toch een te weinig gedifferentieerd beeld op. Het is duidelijk dat Roosendael's muziek het vooral moet hebben van een kleurige instrumentatie.

Bleef over Jan van Vlijmen's Tombeau "Solo III' voor cellosolo in memoriam Rudi M. (©0 13-8-1991) en een maand later voltooid. Opgebouwd vanuit een ongrijpbaar lontano, leggiero e misterioso, een werk dat geheel buiten het kader van al die andere no nonsense-stukken viel: zeer traag en verstild, 23 minuten lang, met vijftien lange pauzes, waaronder een drietal van liefst vijf maten!

Het karakter van het Franse Tombeau mag dan eerder Latijns dan nordisch zijn, de onheilspellende tremoli in de laagte die plotseling afkappen en de ook al plotselinge crescendi op een toon, voeren een onderhuidse spanning van puur expressionisme op. Elementaire muziek zoals ook blijkt uit kale kwinten en kwarten samenklanken, die in zijn stokkende kwaliteit soms herinnert aan de late werken van Luigi Nono, gedacht als een doorlopende variatiereeks, met weliswaar ook een variatie in een snelle twaalf-zestiende maat, maar met als eindindruk toch een eindeloos trieste bekentenismuziek, moeilijk toegankelijk en hoogst tegendraads.