Geldelijke steun aan Oost-Europa vraagt bestuurlijke hervorming

De door de regering-Clinton toegezegde steun ter waarde van 1,6 miljard dollar aan Jeltsin roept onvermijdelijk de vraag op naar de effectiviteit van dit gebaar.

Een groot deel van dit bedrag betreft namelijk noodhulp en kredieten, blijkbaar in de veronderstelling dat hierdoor een wezenlijke bijdrage wordt geleverd aan het transformatieproces. De EG volgt in dit opzicht dezelfde lijn, waarbij de Gemeenschap tot halverwege vorig jaar 74 procent van de leningen en kredietgaranties aan de GOS-staten voor haar rekening nam.

In het hoofdredactionele commentaar van 23 maart wordt al getwijfeld aan de zin van deze vorm van hulp als een land (Rusland) organisatorisch niet in staat is de beoogde hervormingen uit te voeren. De aandacht voor de organisatorische aspecten komt er in het algemeen bekaaid van af.

Er is wat dit betreft een fundamenteel verschil met de situatie bij ons direct na de Tweede Wereldoorlog. Economische steun (Marshall-hulp) kon gedijen bij de gratie van een op dat moment aanwezige bestuursstructuur, die weliswaar op veel plaatsen moest worden gerepareerd, maar waarvan de bestuurscultuur intact was gebleven en ook niet wezenlijk hoefde te veranderen. Zo niet in de GOS-staten en veel Oosteuropese landen. Het gaat daar vooral om organisatorische- en managementsaspecten als onderdeel van een cultuur en mentaliteit die decennia lang zijn gevormd door een totalitair staatsmodel.

De huidige tragiek is dat in het omschakelingsproces de Oosteuropese overheden voorlopig een cruciale rol moeten blijven spelen bij de oplossing van de vele problemen, maar daarvoor nog lang niet geëquipeerd zijn. Dat geldt niet alleen voor het management van de economische en monetaire sector, maar ook voor de erkenning van eigendomsrechten, landhervorming, decentralisatie van bestuur, de sterk toegenomen criminaliteit en andere traditionele onderwerpen van overheidszorg. Recente studies van de OESO illustreren dit algemene probleem voor de Oosteuropese overheid maar al te duidelijk: - gebrek aan geloofwaardigheid, legitimiteit, slecht imago: de overheids(populatie) wordt vaak gezien als een instrument van het oude totalitaire systeem; - een groot verloop: het aantal gekwalificeerde personen waarop de overheid een beroep kan doen, is beperkt door een gestage vlucht naar de opkomende en populaire private sector èn als reactie op de overbureaucratisering. Dit gaat ten koste van de continuteit; - gedragscodes voor ambtenaren, rechtspositionele regelingen ontbreken veelal; - interdepartementaal overleg, de voorbereiding van ministerraad-besluiten. Dit liep voorheen via partijkanalen en moet dus opnieuw worden georganiseerd; - wetgeving werkt in de praktijk niet bij gebrek aan instanties om wetten uit te voeren, waardoor oude en nieuwe wetten naast elkaar voortbestaan; - de administratieve organisatie, en financieel beheer, staan in de kinderschoenen, in een situatie waarin het sturen op budgetten - ook gezien de buitenlandse miljardenhulp - een vitaal instrument moet zijn bij het stellen van prioriteiten en het uitgavenbeleid.

Verandert dit beeld niet - de verschillen per land zijn slechts gradueel - dan zullen de donaties slechts politieke gebaren blijken te zijn, die uiteindelijk weinig van doen hebben met het nagestreefde gezamenlijk belang van stabilisatie in de wederzijdse betrekkingen.

Gelukkig zijn alle Oosteuropese landen vastbesloten een pluriforme democratie en markteconomie op te bouwen. Er zijn bovendien voldoende internationale organisaties en donorlanden die de wil en de potentie hebben inhoudelijk en financieel aan de organisatorische aspecten hiervan bij te dragen. Zo ook de Europese Commissie en de Raad van Europa die jaarlijks enige miljoenen guldens spenderen aan de reorganisatie van ministeries, training van het management, uitwis- selingsprogramma's, de bevordering van lokaal bestuur en het maatschappelijk middenveld dat in de meeste Oosteuropese landen nauwelijks is ontwikkeld. In het recente pakket-Clinton zit een bedrag van 48 miljoen dollar voor het ontplooien van vergelijkbare activiteiten in Rusland. Dat is als onderdeel van de miljardenhulp weinig. Bedacht moet echter worden dat de aanleg van een pijpleiding nu eenmaal meer kost dan activiteiten in de bestuurlijke infrastructuur. Het gaat dan ook niet primair om de hoogte van de bedragen, maar om structurele aandacht voor de stelling dat in de hulpverlening organisatorische en economische hervormingen in Oost-Europa hand in hand moeten gaan. Bestuurlijke "software' mag in elk geval niet de bijwagen worden van de economische "hardware' door de gedachte dat als er eerst maar economische en financiële injecties worden gegeven, de patiënt het verder wel zal redden. In Oost-europa en het GOS werkt een dergelijke prognose in elk geval niet. Het is zaak daar in het internationale èn nationale hulpbeleid goed op te letten, laat staan als het gaat om het adagium beter handel dan hulp.