Gebruik clenbuterol is een pure geldkwestie

ROTTERDAM, 20 APRIL. “Alleen met het gebruik van dat spul kun je gelijk blijven”. Zo formuleerde in het blad Oogst van de centrale landbouworganisaties een stierenmester de voordelen van het gebruik van (verboden) groeibevorderaars. De kwestie is opnieuw actueel nadat vorige week bekend werd dat minimaal 12 en waarschijnlijk 25 procent van het slachtvee met het antihoestmiddel clenbuterol wordt behandeld. De stierenmester uit het artikel in Oogst, die niet meedoet aan het gebruik van het middel (“Ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat er straks iemand ziek van wordt.”), rekende uit dat wél rommelende collega's er per stier 250 gulden extra mee kunnen verdienen. Dat is mooi meegenomen, zeker nu de prijs voor de vleesstieren onder zware druk staat.

Opvallend is de vaststelling dat clenbuterol niet meer bij kalveren maar in toenemende mate bij stieren en voor de slacht bestemde zogenoemde afgemolken koeien wordt toegepast. Clenbuterol is een antihoestmiddel dat als neveneffect heeft dat het de spiergroei bevordert en nét de vetgroei. En de consument wil zo min mogelijk vet in zijn vlees. Het voordeel voor de mester is dat hij met minder voer en dus minder kosten kan toekomen. Dat de markt zich van de kalveren naar de volwassen runderen heeft verlegd zou alles te maken hebben met het feit dat de kalversector zich door de instelling van een eigen Stichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector zelf de wet heeft gesteld: de mester die wordt betrapt op het gebruik van clenbuterol (of op andere verboden groeibevorderaars als synthetische hormonen) loopt de kans dat zijn hele kalverbestand als onverkoopbaar wordt aangemerkt.

Het gebruik van groeibevorderaars in de vleessector komt met golven steeds opnieuw in de publiciteit. Al jaren wordt er in de sector gewerkt met middelen, die niet in het vlees thuishoren. De handel is in handen van producenten en leveranciers, van wie een aantal, juist als bij drugs, zou moeten worden gezocht in het criminele circuit. Ook dierenartsen zouden hand- en spandiensten verlenen; een aantal hunner is al in Almelo veroordeeld, anderen komen binnenkort in Breda voor de rechtbank.

Het voordeel van clenbuterol is dat het - in poedervorm - door het voer kan worden gemengd en niet hoeft te worden ingespoten waardoor belastende spuitvlekken in het vlees niet voorkomen. Clenbuterol is onder de mesters daarom een favoriet middel, zeker als de vleesprijzen, zoals nu het geval is, slecht zijn. Veehouders, die hun aan de handel geleverde koeien voor de slacht verkochten, zouden de beesten die ze naderhand op de veemmarkten per toeval terugzagen, niet hebben herkend, zo "opgepompt' zouden ze er uitzien, dus zo effectief zou clenbuterol werken.

Steeds weer wordt de vraag gesteld in hoeverre het geknoei schadelijk is voor de consument. Dr. R. Stephany van het Rijkinstituut voor volksgezondheid en milieuhygiëne in Zeist zei naar aanleiding van de vorige week ontstane opschudding dat het gebruik van clenbuterol “zeer ongewenst, doodgriezelig en ontoelaatbaar is”. Consumenten die teveel van het spul binnen krijgen lopen volgens Stephany kans op onder meer hartritmestoornissen en hoge bloeddruk. Er zijn gevallen bekend van Spaanse consumenten van met clenbuterol bewerkt vlees, die er flink ziek van werden. “Collega-chemici”, aldus Stephany in een nadere verklaring, “waarschuwen me om bij het onderzoek van de zuivere stof een mondkapje en handschoenen te dragen, dus dan kun je nagaan hoe schadelijk het is.” Hij durft de vergelijking aan met cyaankali, “in ieder geval is clebuterol óók een uitermate krachtige gifstof.” Dieren die er een overdosis van kregen - en een overdosis is al bereikt ook als er volgens Stephany met zeer miniscule hoeveelheden wordt gewerkt - zouden staan sidderen en beven in de stal.

Het gebruik van groeibevorderaars, zoals clenbuterol, wordt gestimuleerd door de verschillen op de internationale markt. In landen als de Verenigde Staten en Brazilië is het gebruik van bepaalde groeibevorderaars (onder meer natuurlijke hormonen, die kunstmatig worden toegediend) toegestaan mits vaststaat dat ze niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de consumenten. Daardoor ontstaan er scheve concurrentieverhoudingen.

Nederlandse gebruikers worden kennelijk gestimuleerd doordat er ook binnen de Europese Gemeenschap en Nederland stemmen opgaan om bepaalde groeibevorderaars te legaliseren. Dan gaat het alleen om het mogelijk toestaan van bepaalde hormonen, maar blijkbaar is alleen het denken over het toestaan ervan voldoende om zich gerechtvaardigd te weten om óók clenbuterol te gebruiken. De slachterijen zouden er zelfs van uit gaan dat, indien men het gebruik van groeibevorderaars zo stringent zou aanpakken als in de Nederlandse kalversector het geval is, de exportmarkt zou worden afgesloten omdat de prijs van het vlees daardoor zo hoog wordt dat het niet meer concurrerend is.

De controle blijft een probleem. Het gebruik van clenbuterol kan alleen worden vastgesteld door het nemen van urinemonsters, maar gebruikers weten maar al te goed dat het spul in die urine niet meer is terug te vinden als ze maar tijdig met het toedienen ervan stoppen. Controle op de bedrijven zelf tijdens de periode van het mesten, zoals nu bij de kalveren gebeurt, is daarom de enige waterdichte manier, maar die controle is peperduur. Bovendien zouden het in het geval van de afgemolken koeien de handelaren zijn die clenbuterol toedienen waardoor de controle alleen maar moeilijker wordt omdat zij zich buiten het officiële circuit ophouden. Met een controle door de sector zelf schijnt het ook al niet erg op te schieten: de werkgroep IKB (Integrale Ketenbewaking)-runderen is sinds haar oprichting vorig jaar slechts een paar keer bijeen geweest. Als men de controle zelf moet betalen zou dat 4 miljoen gulden per jaar gaan kosten en daar schrikt de branche, zeker gezien de slechte marktsituatie van het moment, voor terug. Kortom: alles wordt teruggeleid tot een geldkwestie; de ethische vraag komt - de gewetensvolle mesters uitgezonderd - niet eens aan de orde. De enige die de zaak zou kunnen oplossen is de consument: hij zou voor een stukje rundvlees waarop de garantie zit dat er niet mee is gesjoemeld meer moeten willen betalen; of hij zou helemaal geen rundvlees meer moeten eten: dan lost de zaak zich vanzelf op, maar dan worden ook tienduizenden mesters werkloos.