De schone theorie van de milieu-economie

Greep op groei, het thema van de jaren negentig; Frank Biesboer (red.); Uitg. Aktie Strohalm/Jan van Arkel, Utrecht; 1993; 336 pag.; 45 gulden; ISBN 90-6224-282-0. Diverse economen proberen de kosten van vervuiling te vangen in theorieën. Het boek Greep op groei, dat morgen verschijnt, suggereert onder meer invoering van verhandelbare vervuilingsrechten, of belasting op spaargeld en beleggingen die de economische groei aanjagen.

De Club van Rome zette de grenzen aan de groei in 1972 op de politieke agenda; de verzuring, de verdunning van de ozonlaag en het broeikaseffect hebben het milieu-probleem nog actueler gemaakt. Na een kwart eeuw pennestrijd is het milieu nu voer voor àlle economen.

Jelle Zijlstra, econoom, voormalig premier en president van De Nederlandsche Bank, sloot vorig jaar zijn memoires af met het milieu. Als de Derde wereld haar welvaartsachterstand inhaalt, zo vroeg hij zich af, zullen heffingen en verboden dan voldoende zijn om de vervuiling binnen de perken te houden? Zijlstra uitte zijn twijfels. Maar wat dient er dan te gebeuren? Zijlstra: “Wij moeten, zo zegt men, de groei stoppen en streven naar een "economie van het genoeg'. Maar er wordt nooit bij gezegd in welke politieke en economische orde dit mogelijk zal zijn.”

Geen zinnig mens gelooft nog in een centraal geleide oplossing. Als Zijlstra - nog steeds volop actief als CDA-econoom - kiest voor de markteconomie, staat hij allerminst alleen. Maar hoe zit het met de "grenzen aan de groei'? Is de vraag "krimp of groei' in 1993 nog actueel?

De bundel Greep op groei, onder redactie van Frank Biesboer met bijdragen van Goudzwaard, Nentjes, Ekins, Pen, Van der Straaten, Maas en andere milieu-economen, probeert onder meer op die vraag een antwoord te geven. Dwingt minder vervuiling tot nulgroei of zelfs krimp? En zo ja, hoe is dat dan mogelijk? PvdA-voorzitter Felix Rottenberg, die zich in het onvolprezen radioprogramma Vroege Vogels plotseling opwierp als "politicus van de krimp', neemt het boek morgen in ontvangst.

Greep op groei is een uitgave van Aktie Strohalm, een milieugroep die al sinds 1970 “de maatschappelijke structuur bij haar wortels wil aanpakken”. Biesboer, hoofdredacteur van Zeno, een tijdschrift over wetenschap, technologie en samenleving, heeft de schrijvers gevraagd om een reactie op de ideeën van Aktie Strohalm. Die komen erop neer dat groei en milieubehoud niet kunnen samengaan. Maar zonder groei stort ons economisch systeem in elkaar: er is sprake van groeidwang. Dus rijst de vraag: hoe komen we daar vanaf? Aktie Strohalm komt met een opmerkelijk antwoord: men wil de groei langs monetaire weg de kop indrukken.

De meeste auteurs in Greep op groei zien niets in deze redenering. Jan van der Straaten, de Tilbugse docent milieu-economie die in 1990 een opmerkelijk proefschrift schreef over Zure regen, economische theorie en het Nederlands beleid, zet de toon. Hij vindt de vraag of er “grenzen aan de groei” zijn “nauwelijks interessant”. “Het is een academische kwestie waarbij iedereen geweldige redeneringen kan ophangen, zonder dat het bewijs ooit wordt geleverd,” stelt hij. En: “Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat notoire vervuilers zo'n discussie prima vinden.”

Waar het om gaat, aldus Van der Straaten, is dat de vervuiling wordt gereduceerd. Of dat mogelijk is met groei, of dat daarvoor nulgroei nodig is of zelfs krimp, dat zien we dan wel, zegt hij. In het vraagstuk van de groeidwang is hij dan ook in het geheel niet genteresseerd.

De economische theorie schiet volgens Van der Straaten allerminst tekort. Economen als Goudzwaard, Hueting en Opschoor betogen al sinds jaar en dag, in het voetspoor van de Britse econoom A.C. Pigou (1877-1959), dat de sociale kosten van de produktie in de prijzen tot uiting moeten komen. Met heffingen op vervuilende activiteiten of via het verhandelbaar maken van "vervuilingsrechten' kan het markt- en prijsmechanisme voor een optimale oplossing zorgen.

Alleen, het gebeurt niet. De economische theorie wordt niet gebruikt. Met als gevolg, schrijft Van der Straaten, dat de schade die de zure regen berokkent aan de commerciële bosteelt in Europa vier keer zo groot is als het bedrag dat Europa besteedt aan de bestrijding van de zure regen. “Niet het milieu wordt beschermd, maar de vervuilende bedrijfstakken,” stelt hij.

Pag 18: Een misplaatste fixatie op geld en markt

Maar waarom wordt dat milieu dan niet beschermd? Is er dan toch sprake van groeidwang? Van der Straaten wijst op de macht van belangengroepen. Het Verbond van Nederlandse Ondernemingen en de Industriebond FNV keren zich samen tegen het invoeren van heffingen die het Nederlandse energieverbruik moeten afremmen. Die zouden de concurrentiepositie aantasten. De Tilburgse econoom voert echter (naar zijn zeggen geheime) cijfers aan waaruit blijkt dat de energieprijzen voor grootgebruikers in Nederland 10 tot zelfs 40 procent lager liggen dan in Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk of België.

Bij zijn verzet tegen hogere energieprijzen aarzelt het bedrijfsleven soms niet gebruik te maken van de economische terugval. De aluminiumfabrieken van Hoogovens (Delfzijl) en Pechiney (Vlissingen) eisen nu van de Nederlandse overheid een energiesubsidie. Pechiney dreigt anders zijn fabriek in het Sloe-gebied te sluiten.

De betoogtrant van de Groningse economie-hoogleraar Nentjes komt overeen met die van Van der Straaten. Nentjes maakt van de gelegenheid gebruik zijn pleidooi voor verhandelbare vervuilingsrechten nog eens kracht bij te zetten. Nulgroei of krimp is wat hem betreft niet aan de orde: “Al bijna twee eeuwen lang hebben economen de naderende stationaire toestand aangekondigd en telkens bleek weer dat ze zich volstrekt hadden verkeken op de dynamiek van de technologie”.

Bij de verhandelbare vervuilingsrechten (Nentjes spreekt liever van "milieuverbruiksrechten') stelt de overheid een maximum vast, dat in de loop van de tijd daalt. Deze hoeveelheid vervuiling wordt in stukjes aan individuele vervuilers uitgegeven, tegen betaling of voor niets. Die vervuilers kunnen hun rechten gebruiken, of verkopen zodat er een marktprijs ontstaat.

Volgens Nentjes worden de weerstanden bij het bedrijfsleven in hoge mate weggenomen als de overheid de rechten gratis toedeelt op basis van "historisch verworven' rechten. Per recht zal de toegestane vervuiling in de loop der jaren afnemen, zodat de vervuiler dan moet kiezen: minder vervuilen of vervuilingsrechten van andere vervuilers kopen.

Als dit zo'n mooie oplossing is, waarom komt het er dan niet van? Nentjes wijst op de onbekendheid van het instrument, hoewel het idee al decennia oud is, en op de bureaucratische aversie tegen verandering. Ook zouden grote bedrijven vrezen dat ze, als ze zich moeten schikken binnen "openbare vervuilingsplafonds', op het vlak van het milieu minder kunnen "regelen' met de overheid.

Natuurlijk is er meer dat tegen vervuilingsrechten pleit. Bob Goudzwaard, hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit en schrijver van "klassieke' boeken als Ongeprijsde schaarste (1970) en Kapitalisme en vooruitgang (1976), waarschuwt voor de macht van het geld. Met vervuilingsrechten breng je zaken onder het regime van de markt die daar volgens Goudzwaard helemaal niet thuishoren. Wie geld heeft, kan vervuilingsrechten kopen, anderen niet.

Het is waar: economen zijn vaak gebiologeerd door het prijs- en marktmechanisme, met soms bizarre resultaten. Zo wilde een toch alom gerespecteerd econoom als K.E. Boulding in 1970 de bevolkingsgroei beperken met verhandelbare "rechten op het geboren laten worden van een kind'. Geef elke burger een verhandelbaar recht op 1,1 kind, en als hij/zij het niet gebruikt, dan mag dat recht worden verkocht, eventueel in parten. Waartoe een eenzijdige fixatie op geld en markt niet kan leiden...

Wellicht komen ook de pogingen tot berekening van een "groen' of "duurzaam' bruto nationaal produkt in feite voort uit een misplaatste fixatie op geld. CBS-milieu-econoom Hueting is er nu twintig jaar mee bezig, overigens zonder veel succes. De Wageningse socioloog Mol en de Amsterdamse macro-econoom Scholtens betreuren dat allerminst. Als je meer wilt weten over de financiële stromen in een economie, is het bruto nationaal produkt een nuttig instrument, stellen zij, maar als je informatie wilt over het milieu, heb je milieu-indicatoren nodig. Dus: de hoeveelheid stof in water, bodem en lucht, het aantal soorten planten en dieren, enzovoorts. Het is onzin om die indicatoren te vertalen in geld. Voor een effectief milieu-beleid bieden die indicatoren voldoende informatie.

In tegenstelling tot Van der Straaten, Nentjes en diverse andere auteurs in “Greep op groei” erkent Goudzwaard - ooit mede-auteur van een verkiezingsprogramma van het CDA - wel degelijk het bestaan van een "groeidwang'. De concurrentie op de markt dwingt tot meer produktie; meer produktie vergt meer consumptie, dus wordt de consumptie aangezwengeld met reclame, stelt hij. Volgens Goudzwaard is dit een doodlopende weg. Hij pleit daarom voor een culturele omwenteling, via allerlei groeperingen die langzamerhand doordringen tot het centrum van de macht. Een mooi verhaal, maar het geeft economen weinig houvast.

Nee, dan Aktie Strohalm. Deze milieugroep wil de produktiegroei afremmen langs monetaire weg, en wel als volgt. Wie nu geld spaart of belegt, wil rente. Daarvoor is een produktieve investering nodig. Zo fungeert het belegde of gespaarde geld als aanjager van de produktiegroei. Als je daarvan afwilt, moet je dus het geld belasten dat wordt gespaard of belegd.

Het is een oud idee, waarmee de Duitse zakenman Silvio Gesell al in 1891 op de proppen kwam. Maar Gesell wilde met zijn belasting het oppotten van geld ontmoedigen. Dat zou goed zijn voor de vraag naar goederen en diensten, dus voor de economie. Gesell was, zo beschouwd, een Keynesiaan avant la lettre. Maar waar Keynes in 1936 de economische groei wilde stimuleren, wil Van Arkel die juist afremmen. Wat nu?

Het mag geen verwondering wekken dat de meeste economen die in Greep op groei aan het woord komen zo'n "oplossing' in vriendelijke termen van tafel vegen. Zelfs Goudzwaard wil er niets van weten, hoewel hij toch ook van mening is dat “het geldsysteem een eigen impuls is geworden die het economisch leven als het ware aan een touw meetrekt op het pad van expansie waarbij de vraag naar de zin van die expansie niet meer wordt gesteld”.

Maar het probleem van het geld, zoals door Goudzwaard omschreven, is allerminst nieuw:

“'k Placht weleer zo zot te wezen, Schoon ik vrij veel heb gelezen, Dat de waereld hing aaneen, Van Atoomen groot en kleen, (...) Maar 'k zie nu 't is mis gesteld, Want zij hangt aaneen van geld. 't Geld maakt vrede, 't geld doet vechten. 't Bouwt Kastelen, 't doet ze slechten. 't Geld zet ezels in de raad. 't Voert de bek van d' Advocaat. (...) 't Geld maakt edellui van boeren, En van luie meisjes hoeren. Is een Juffer krom of blind, 't Geld maakt dat ze een vrijer vindt.” (Pieter Langendijk: Gedichten, Haarlem, 1760)