Oude mythe wielerheld Fausto Coppi snel met een nieuwe vervangen

Voorstelling: Fausto & Giulia door Growing Up in Public / Nationaal Fonds. Tekst en regie: Paul Feld. Spel: Bart Klever, Kathenka Woudenberg, Oda Spelbos, John Serkei, Olaf Malmberg e.a. Gezien: 16/4 Frascati, Amsterdam. T/m 24/4 aldaar; reisvoorstellingen t/m okt.

Op het toppunt van zijn roem nam de Italiaanse wielrenner Fausto Coppi (1919-1960) miljoenen landgenoten tegen zich in door openlijk voor zijn buitenechtelijke relatie met Giulia Locatelli, de vrouw van een bevriend chirurg, uit te komen. De Paus deed Fausto in de ban; die raakte zijn vrienden kwijt en ook zijn broodnodige zelfvertrouwen.

Dat de ondergang van deze legendarische sportman een dankbaar thema voor theatermakers is, bewezen Harry de Wit en Jan Ritsema vorig jaar al met de kameropera Fausto. En nu kan men over het leven van Fausto Coppi ook een toneelvoorstelling zien, geschreven en geregisseerd door Paul Feld, een gedreven theatermaker (KraKra; De Seance; An der schönen blauen Donau) en een doorgewinterde sportjournalist.

Toch speelt sport in Fausto & Giulia een ondergeschikte rol. Nooit zien we Fausto Coppi op zijn fiets zitten, behalve in de laatste scène, waarin hij zijn rivaal Bartali op een gammel kinderfietsje achtervolgt. Meestal zit hij thuis bij een van zijn vrouwen, moe en afwezig als een gewone huisvader. Een uitermate krachteloze en onsportieve indruk maakt deze door Olaf Malmberg gespeelde Fausto Coppi; onder zijn trui is zelfs de aanzet van een buikje zichtbaar.

Was Coppi een wielrenner tegen wil en dank? Een aan het plafond bevestigde fiets met kromme wielen suggereert wel iets in die richting. Anderen bepaalden Coppi's koers, zoals de dictator Mussolini, die twee keer als boosaardige deus ex machina tussen de spelers verschijnt. De eerste keer stuurt hij Coppi naar het front omdat diens roze leiderstrui hem niet aanstaat, de tweede keer knalt het volk de Duce neer omdat de oorlog afgelopen is.

Mussolini's dood heeft voor Coppi noodlottige gevolgen. Het vernederde Italië heeft kampioenen nodig en Fausto schikt zich gewillig in die rol. In ruil voor roem en succes verkoopt hij zijn ziel aan de blinde trainer Cavanna, een kerel met Mefistofelische trekjes.

Fausto Coppi was een slachtoffer van zijn tijd, vindt Paul Feld dus kennelijk, maar tegelijk moeten we een rebel in hem zien, die zich tegen de hypocriete burgermansmoraal van de jaren vijftig verzette door hardnekkig aan zijn verboden liefde vast te houden. Feld haalt de sportman Coppi van zijn voetstuk, maar geschrokken zet hij zijn idool direct weer op een andere sokkel. Zo vervangt hij de oude mythe door een nieuwe: de mythe van de eenzame held die sneuvelt in zijn nobele strijd tegen de macht van kerk en staat.

Het resultaat van deze pogingen om Coppi hoe dan ook recht te doen heeft iets geforceerds. Op de première hadden een paar van de spelers hoorbaar moeite met hun soms nogal gekunstelde teksten. Ze kregen de kans niet om in hun rol op te gaan, omdat ze vaak minutenlang in een hoekje op hun beurt moesten wachten. Twee dellerige Italiaanse dorpsvrouwen (Els Lijesen en Petra van Hartskamp) voorzagen de scènes van aanvullende informatie. Maar wat schiet je als toeschouwer op met de inlichting dat Fausto Coppi in 1952 "opnieuw de befaamde dubbel Giro en Tour', dat wil zeggen de Ronde van Italië en de Tour de France, won? Je hebt meer aan beelden die geen toelichting behoeven. Zoals dat van de woedende burgers die Fausto Coppi met rotte tomaten bekogelen terwijl hij doodkalm blijft zitten - alsof hij in stilte van zijn ontluistering geniet. Dan pas begrijp je iets van die man, en van Paul Felds fascinatie voor hem.