Opgestaan

Afgelopen paasmaandag liep ik door het Vondelpark. Vondel zat als vanouds op zijn dichterszetel alsof ze hem niks naars hadden aangedaan bij dat vieze schoonmaakbedrijf. De jonge meisjes en de vrolijke jonge jongens hadden narcissen in het haar gevlochten. Een paar maanden geleden ben ik er nog tot mijn knieën in het ijs gezakt, maar nu is alles weer vergeten en vergeven. Kom, laten we wat gaan drinken bij Vertigo onder het filmmuseum, de boog kan niet altijd gespannen zijn. Vroeger was het daar een sombere schuilkelder, nu is het er vol leven en gezelligheid. Hoor je er wel eens geblèr van kinderen, nu hielden ze zoet hun mond, want er stond een twee meter hoog chocolade paasei waaruit je zo maar mocht plukken en snoepen tot je niet meer kon. Ik zag één kereltje, sprekend Hansje van Grietje, dat het liefst het ei was binnengestapt, om daar, liggend in de chocola, chocola te eten. Nooit zal dat meer uit zijn geheugen worden gewist. Voor altijd zal hij zich de vriendelijke uitbater herinneren die hem niet terechtwees om zijn gulzigheid, maar hem juist aanmoedigde nog meer te eten.

Van de christelijke feestdagen vond ik Kerstmis natuurlijk heel genoeglijk om de kerstboom en de gezelligheid in huis, zo lekker dicht bij de kachel, Oud en Nieuw in het verschiet met het geknal van carbidbussen. Maar Pasen, dat was toch wel iets heel bijzonders. Jezus, de Zoon van God nota bene, die ze op een aller-allergemeenste manier aan het kruis hadden vastgespijkerd, stapt na zijn begrafenis zijn graf weer uit en vliegt regelrecht naar de hemel waar zijn Vader al vol ongeduld op hem zit te wachten, blij dat alles toch nog met een sisser is afgelopen. Ik had er een prachtige prent van waarop je duidelijk zag hoe een en ander in zijn werk was gegaan. Die verdwaasde gehelmde wachters, die ondanks hun wapentuig machteloos op de grond lagen. Machteloos tegenover zoveel goddelijke overlevingskracht. Onsterfelijkheid, dat sprak mij aan. Wolken, bliksem en vuur, trompetterende engelen, want muziek en gezang hoorden erbij.

Als jongetje bezocht ik een achterbaksenschool met de Bijbel en daar moest ik psalmen en gezangen uit het hoofd leren. Dat ging met stampen en dreunen gepaard. Frisia non cantat. In het noorden wordt de muze er met geweld ingeramd. Nooit gekoesterd. Nooit geëerd. Dat ik later in mijn leven nog interesse en liefde voor taal en muziek heb gekregen mag een wonder heten, want wat zich daar aan tekst en geluid afspeelde in die berufte, godvergeten antischool, kende zijn weerga niet.

Vlak na de oorlog. Klassen van vijftig, ja soms meer leerlingen, waren heel normaal. Soms stond er een meester in de schuifdeur tussen twee lokalen, met in zijn hand een aanwijsstok als wapen om orde te houden. Er waren grote jongens bij die een deel van de oorlog geen school hadden gezien. Die lieten zich door een pas afgestudeerde kwekeling niets vertellen. Die sloegen er vrolijk op los, tot groot genoegen van de rest van de kinderen die op de banken stonden te joelen en te schreeuwen om de vechtenden aan te moedigen.

Eén meester had liefhebberij in muziek. Hij had een traporgeltje en hanteerde een viool. Gruwelijk. Dat trappen viel hem dagelijks zwaarder en zwaarder, want wij boorden gaten in de blaasbalg zodat er uiteindelijk geen toon meer uitkwam. Hij had de onvoorzichtige gewoonte zijn viool onder het verstelbare, loodzware schoolbord te leggen om een armoesjekje te draaien. Dat werd het instrument fataal, want iemand had de schoolbordpen op scherp gezet, zodat je er maar tegenaan hoefde te blazen of het zwarte gevaarte kwam naar beneden. Dat gebeurde gelukkig ook. Viool doormidden. Weg gekras. Toch vond ik het wel wat sneu, eerlijk gezegd. Hij stond voor een krijsende klas te huilen, zijn gebroken viool in de hand. Het instrument had zijn vader toebehoord. Maar evengoed was het weldra Pasen en even later brulden we zonder begeleiding: “En zie de nieuwe dag breekt aan, de Zoon van God is óp-gestaan!”

Om hem wat op te vrolijken na zijn smartelijk verlies zei ik: “Maar meester, mijn vader is vanmorgen om halfzés al opgestaan.” Pats. Klets. Weer een mep. En nog een, en nog een, want de hele klas schreeuwde op de banken: “Opgestaan. Opgestaan. Opgestaan!”