Meneer V

“En meneer V”, zegt Anneke. Ook dood. En dan voorziet ze zo iemand van een kleine beschrijving, zodat ik me hem voor de geest kan halen.

Man met bril en spierwit haar. Zat altijd aan de tafel bij de muur, rustig en in zichzelf gekeerd. Maar hij kon heel gevat uit de hoek komen.

Anneke had semafoondienst. Marjan zat in de nacht. Ze belde om kwart over elf. Dat meneer V, toch al zwaar ziek, een maagbloeding had gehad. Of hij naar het ziekenhuis moest.

Dan mag je een beslissing nemen. In dit geval was er geen naaste familie om te raadplegen. Je mag die beslissing zelf nemen.

Het ziekenhuis: vreemde omgeving, vreemde gezichten. En de mogelijkheden tot behandeling waren beperkt. Meneer V mocht geen bloed van iemand anders. Hij was Jehova's Getuige.

In geen jaren had hij de naam van Jehova genoemd. Meneer V was dement. Meneer V was vergeten hoe hij had geleefd. Hij had het aan anderen moeten overlaten om dat te onthouden. En nu was het aan een ander om te beslissen hoe meneer V zou willen sterven. Misschien: hoe je zelf had willen sterven als je meneer V was geweest.

Hij overleed een dag later, even voor middernacht. In zijn eigen kamer.

“Uiteindelijk”, zegt Anneke, “sterven ze hier allemaal, en dat mág ook.”