Jazz over jazz wordt bij Jenkins fake-jazz

Concert: Billy Jenkins & The Voice of God Collective met o.a. Iain Bellamy (saxofoons). Gehoord: 17/4 BIMhuis, Amsterdam.

"We spelen wel jazz, maar we menen het niet hoor'. De Britse gitarist Billy Jenkins die zaterdag in het BIMhuis optrad, zei het niet letterlijk, maar zijn distantie was duidelijk. Een temerige versie van The Girl from Ipanema wordt onderbroken door met helse vaart gespeeld Stardust en besloten met de opmerking dat het "brilliant' was. In Duke Ellingtons In a Sentimental Mood trekt Jenkins de drummer één van diens brushes uit de hand en begint er opzichtig zijn haar mee te kammen.

Zoals er literatuur is over literatuur en theater dat gaat over theater maken, zo ook is er steeds meer jazzmuziek die vooral zichzelf tot onderwerp heeft. Men springt kris-kras door de geschiedenis, poetst stokoude deunen op of rijgt pesterig de allervetste cliché's aan elkaar. Bij superieure musici, zoals bij voorbeeld saxofonist John Zorn en gitarist Bill Frisell, leidt deze aanpak niet zelden tot aardige dingen. Ze beheersen de materie en spelen er mee.

Bij minder begenadigde zielen, hun namen blijven hier maar beter ongenoemd, is het resultaat een mat soort "fake jazz' waarbij je glimlach geleidelijk verstart. Leuk, die persiflage op de Blues March van Blakey, maar zou die niet nog leuker zijn als alle musici dat stuk ook echt kenden? Bij gitarist Billy Jenkins is het duidelijk dat hij zijn instrument beheerst, van klassieke tremolo's tot gierende uithalen in heavy metal-stijl.

Ook de geschiedenis van de jazz-gitaar heeft hij in zijn vingers, van Django Reinhardt tot Sonny Sharrock, van Les Paul tot Wes Montgomery. Maar waarom moet hij dat in èlke solo laten horen? En waarom begint hij bij een climax demonstratief in zijn neus te peuteren? En waarom loopt hij standaards omver en verscheurt hij vellen bladmuziek? Om duidelijk te maken dat het voor hem allemaal platgesneden oude koek is?

Misschien was het overtuigend geweest als hij musici op gelijk niveau had gehad maar die zaten er niet in de God Collective. Als His Masters Voice-hondjes luisterden de bandleden tot hun baas klaar was met zijn dolle streken. En ze speelden vervolgens hun brokje persiflage, niet scherp en venijnig maar sloom en slordig. Het laatste was dodelijk voor Jenkins' intenties: wie de draak met iets wil steken moet het hebben van puntigheid.