"Het ruikt hier naar oorlog'

KELEBIJA, 19 APRIL. “Het ruikt hier naar oorlog op komst”, had de kennis in Belgrado door de telefoon gezegd, maar aan de Hongaars-Servische grens is daar niets van te merken. Een slaperige grenspost op de Balkan, waar mannen paspoorten controleren en de achterbak van elke auto inzien - niet onvriendelijk, haast alsof ze blij zijn dat er op deze warme zondagmiddag nog iemand voorbijkomt. Na driekwart jaar sancties tegen Servië is de hele situatie aan de grens al routine geworden. Een verschil is hoogstens dat de regering van Joegoslavië (Servië en Montenegro) sinds kort van de burgers van tal van landen een visum vraagt, waardoor - ook zonder verscherping van de sancties - steeds meer verkeer voor Griekenland, Turkije en het Midden-Oosten de omweg via Roemenië en Bulgarije lijkt te prefereren.

Nog staat bij de Hongaarse douane een rij vrachtwagens te wachten op afhandeling. Turkse, Nederlandse, Sloveense en vooral veel uit Macedonië. Het gerucht wil dat veel van deze transit-transporten, die na 26 april verboden zullen zijn, ergens in Servië blijven steken om hun waren te lossen. Ook een ander trucje, vrachtpapieren voor de door de Serviërs veroverde gebieden in Bosnië en Kroatië, omdat deze landen door de rest van de wereld erkend zijn en dus niet onder de sancties vallen, gaat binnenkort niet meer op.

Bij personenauto's beperkt de Hongaarse controle zich voornamelijk tot de goede oude inbeslagname van flessen drank en sloffen sigaretten, in beide richtingen. Wie serieus wil smokkelen, heeft daarvoor andere kanalen. Serviërs en Montenegrijnen die uit Oostenrijk of Zwitserland voor hun familie thuis voor een jaar toiletpapier meenemen, worden door de Hongaarse douane ongemoeid gelaten. Men is er duidelijk niet op uit, de medemens het leven onnodig zuur te maken.

Helemaal trouwens staat deze grenspost in het teken van het overleven. Negentig procent van alle auto's die er passeren hebben een kentekenplaat uit Subotica, een in meerderheid door Hongaren bewoonde stad in Vojvodina. Aangezien Subotica, net als de rest van Joegoslavië, nu door schrikbarende werkloosheid getroffen wordt, probeert menigeen over de grens een grijpstuiver te verdienen. 's Ochtends heen, 's avonds terug, urenlange wachttijden veroorzakend. “Vroeger maakten we ons vrolijk over die Hongaren en Roemenen die in Joegoslavië hun laatste hebben en houden kwamen aanbieden, in de hoop wat dinars te verdienen”, vertelt een grensganger. “Nu wordt het hoe langer hoe meer andersom en denken wij wat we nog kunnen verkopen, om wat forints op de kop te tikken.”

Bij het begin van de sancties, toen met name het ontbreken van olie en sigaretten in Joegoslavië voor een acuut gevoel van crisis zorgde, was het rond deze grenspost een drukte van belang.

Inmiddels is de distributie van merendeels gesmokkelde benzine in Servië zó goed geregeld door omvangrijke organisaties, dat deze activiteit voor de kleine autobezitter niet meer loont. Bij Kelebija staat op Hongaars gebied trouwens een groot, door Serviërs gedreven benzinestation. Lange tijd was de benzine in Servië omgerekend zelfs goedkoper dan aan de Hongaarse kant van de grens.

Bij de meer naar het westen gelegen grenspost Backi Breg wordt de reiziger direct na het passeren van de grens bestormd door lokale bevolking die agressief probeert hammen, fruit of gesmokkelde sigaretten aan de man te brengen. Langs deze post komen de meeste auto's van landgenoten die in Oostenrijk of Duitsland werken. Hier in Kelebrija geen spoor van privé-handel, alleen een paar grenswisselkantoortjes en een café dat Turkse koffie serveert - een consumptie die door de meest nationalistische Serviërs tegenwoordig ook wel "Servische koffie' genoemd wordt.

De passagiers van de Servische en Montenegrijnse bussen die de verbindingen onderhouden tussen Belgrado en het vliegveld van Boedapest - dat door het luchtvaartembargo nu ook het vliegveld van Belgrado is geworden - houden hier even halt. Vijftig mark kost de tocht, die zo'n acht uur duurt. De sfeer in de bus is meestal van een curieuze melancholie, vooral als bij het naderen van de grens de Servische radio aangaat, met de jongste jobstijdingen.

Bijna alle Serviërs die ik ken, ook wanneer ze niets ophebben met nationalisme of de regeerders van nu, vinden dat de Serviërs ten onrechte de volle laag aan beschuldigingen over zich heen krijgen, terwijl de Kroatische of moslimschurken voor de buitenwereld ongestraft Serviërs mogen uitmoorden. Misschien is het maar beter nu te tekenen, oppert een busreiziger fluisterend, opdat anderen hem niet op defaitisme kunnen betichten, “dan kunnen we later wel weer verder zien”.

Hoe dieper we Servië inrijden, des te leger de wegen en plaatsjes lijken te worden. De weg van Subotica naar Belgrado is, nu de autoweg Belgrado-Zagreb door de oorlog al anderhalf jaar gesloten is, de belangrijkste verkeersader in dit deel van de Balkan geworden. Hier en daar heeft het asfalt daar ernstig onder geleden. Van reparatie is ondanks de tolheffing al maandenlang geen sprake meer. Alles trouwens, van tolhuisje tot particuliere woning, maakt een indruk van beginnend verval en armoede. Slechts de politiecontroles in de bochten van de weg zijn nog druk in de weer, met handbediende radartjes, waarop de agenten je meteen kunnen laten zien hoezeer je gezondigd hebt tegen de snelheidsbeperking. Helaas kunnen de maatregelen van bestuur waarbij de wettelijke boetes worden verhoogd de race met de hollende inflatie van de Joegoslavische dinar niet bijhouden, zodat het meestal met een paar kwartjes wel bekeken is.

Het onheilsnieuws van de verscherpte sancties per 26 april heeft Servië onverwachts getroffen. De televisie en daarmee het gros van de bevolking hadden immers aangenomen, dat de Russen een beslissing in de Veiligheidsraad nog wel een weekje of wat zouden tegenhouden. Maar de Russen hebben zich alleen van stemming onthouden, niet hun veto gebruikt.

In de hoofdstad Belgrado is er nauwelijks iemand op straat aan wie je zou kunnen vragen hoe deze tegenslag te verwerken. Niet alleen is het zondag, niet alleen is het de eerste echt warme dag van het jaar, maar het is ook nog eens orthodox Pasen. Ja, patriarch Pavle heeft vanmorgen in de kerk van de Heilige Marcus alle mensen opgeroepen elkaar lief te hebben, ondanks verschillen in geloofsovertuiging. En ja, de Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic, ofschoon wellicht niet tot grote liefde jegens de Kroatische of moslim-medemens geneigd, is vanochtend ter kerke getogen.

De Servische televisie en radio brengen het onheilsnieuws in stijve, formele termen. Het onafhankelijke televisiestation Studio B heeft een debat georganiseerd tussen drie politici over de vraag of er in verband met het dreigende oorlogsgevaar eigenlijk wel genoeg gedaan wordt aan Bescherming Bevolking, in de vorm van schuilkelders voor de komende NAVO-bombardementen bijvoorbeeld.

Het verloop van het gesprek is een korte samenvatting van de Servische impasse: de man van de regerende socialistische partij spreekt op ferme toon nietszeggende frasen uit, zijn opponent gaat daar regelmatig tegenin zonder dat duidelijk wordt welk alternatief hij dan wel bepleit. Slechts de extreem-nationalist uit het gezelschap, verklaard aanhanger van de onderwereldkoning-politicus "Arkan', komt met een originele gedachte. Hij wil de Hongaarse bevolking langs de grens met Hongarije, en de Albanese minderheid langs de grens met Albanië, gedwongen laten verhuizen opdat zij in het geval van een agressie tegen Servië geen vijfde kolonne kunnen vormen.

Nee, voor de echte commentaren zullen we tot deze maandag moeten wachten, als de bevolking van Belgrado zich weer massaal in het door gebrek aan brandstof en reserveonderdelen tot de helft gereduceerde aantal gemeentebussen propt, of urenlang in de rij staat, in de meestal ijdele hoop nog wat geld terug te krijgen van een rekening in een bijna failliete bank. Echte zaken worden er in Belgrado inmiddels nauwelijks meer gedaan; de zakenwereld is massaal uitgeweken naar Cyprus en naar Macedonië. En die jongen die de oorlog rook, is vandaag niet voor commentaar bereikbaar, en morgen evenmin. Die is, vermoedelijk voor langere tijd, bij zijn broer in Zweden logeren.