GUUS JANSSEN OVER Roger Raveel

Rond Guus Janssen, door het Nieuw Ensemble, 21/4 in De IJsbreker, Amsterdam; 22/4 in de Unie, Rotterdam. De avond van Guus Janssen, solorecital, 26/5 in De IJsbreker; 27/5 in De Unie. Aanvang steeds om 20.30u.

“Roger Raveel ziet de wereld zoals hij wil. Kunstenaars van de Nieuwe Figuratie, zoals Raveel, vinden dat je de werkelijkheid op verschillende manieren kunt afbeelden, afhankelijk van de wijze waarop je ernaar kijkt. Raveel wil kijken als een kind dat nog in de box zit. Dat ziet geen theepot, maar een vorm. In zijn schilderijen gebruikt Raveel meerdere blikrichtingen naast elkaar. In muziek kan dat ook. Ik heb er altijd moeite mee gehad dat er maar een muzikale taal zou zijn, zoals Schönberg dacht. Doordat ik zowel improviseer als componeer, klassiek piano speel maar ook jazz, heb ik met veel soorten muziek te maken. Het bewustzijn van die idiomen kun je negeren door tijdens het componeren een knopje om te draaien en net te doen alsof er bijvoorbeeld geen jazz bestaat. Maar dat bevredigt niet.”

Guus Janssen (42) leerde het werk van Roger Raveel kennen aan het begin van de jaren zeventig. Zijn broer, die aan de Rietveldacademie studeerde, was erdoor gefascineerd en in huize Janssen werd uitgebreid gediscussieerd over Raveel. Als voorbeeld noemt Janssen een muurschildering die de Belgische kunstenaar in een metrostation in Brussel maakte van een groepje mensen. “Eén persoon is volkomen realistisch afgebeeld. Andere figuren zien er veel abstracter uit. Een van hen is alleen als contour aangeduid. Een ander heeft een vierkant hoofd. Waarom? Raveel ziet het hoofd als zetel van het denken en drukt dat uit door er een geometrische figuur van te maken.”

In het onbevangen, open kijken van Raveel herkende Janssen zijn eigen ervaring van muziek. Hij kan naar strenge seriële stukken luisteren als een liefhebber van tonale muziek en er dan onbedoelde "gewone' akkoorden in horen. “Seriële muziek dwingt mij tot een actieve manier van luisteren. Ik zoek koortsachtig naar onvoorspelbare betekenissen.”

Ook in zijn composities streeft Janssen naar onverwachte muziek door elementen van verschillende idiomen te combineren en in elkaar op te laten gaan. “Neem het stuk Vrij naar LT voor mijn Trio. Daarin hoor je een langzame walking base, een vegende drummer en een piano die niet alleen drie snelle fragmentjes speelt uit een solo van Lennie Tristano, maar ook de walking base omspeelt, wat leidt tot verwarring over de functie van de piano. De drummer volgt niet de puls van de bas, maar speelt een strakke ruis die zich langs een eigen traject ontwikkelt. Door jazzclichés te plakken op klankveldenmuziek à la Ligeti, krijg je muziek die niet bestaat en in het gunstigste geval niets met citatenmuziek heeft te maken.”

Het idee om ongelijksoortige muzikale fragmenten achter elkaar te monteren, zoals in de citatenmuziek uit de jaren zestig gebeurde in navolging van Charles Ives, heeft Janssen weliswaar benvloed maar is volgens hem niet erg interessant. Hij verwerkt de brokstukken liever tot een eigen stijl. “Mijn composities zijn, denk ik, herkenbaar als muziek van Guus Janssen. Maar mijn componeren heeft ook iets parasitairs. Ik heb die bestaande idiomen nodig om een stuk te maken. Eigenlijk erken ik dat het in deze tijd heel moeilijk is om nog muziek te bedenken. Toch is het een stoute droom van me, dat er op een dag een totaal nieuwe muziek klinkt als ik uiteenlopende stijlen in elkaar verweef. Ongeveer zoals Raveel nieuwe werelden laat zien.”