Geruststellende beelden op Parijse expositie 1893 l'Europe des Peintres; Een prachtige doorsnede van de 19de eeuw

Tentoonstelling: 1893, l'Europe des Peintres. Tentoonstelling in het Musée d'Orsay Parijs. Geopend: van di t/m zo van 10 tot 18 uur; op do tot 21.45 uur. Tot 23 mei.

Voor de Europese burgerij was 1893 geen slecht jaar. Er woedden geen oorlogen, er heerste geen economische crisis en er waren geen epidemieën. Goed, in de grote gendustrialiseerde landen waren stakingen, in Italië kwam een politiek corruptieschandaal aan het licht en Engeland had zijn Ierse kwestie. Maar over het algemeen was het leven veilig en overzichtelijk.

Dat veilige leven lijkt te worden weerspiegeld in de schilderijen op de mooie tentoonstelling 1893, l'Europe des Peintres in het Musée d'Orsay. Hier hangen 95 schilderijen van 85 kunstenaars uit 18 Europese landen. Dit is nu eens geen tijdsbalk, geen ontwikkeling, geen traditie, maar een synchronische coupe, een plak uit de negentiende eeuw, precies honderd jaar geleden. Een goed idee om twee redenen: Ten eerste wordt de bezoeker met zijn neus op het feit gedrukt dat de geschiedschrijving gemakshalve het verleden reduceert tot een hoofdstroom, tot een ferme lijn die pas achteraf zichtbaar is geworden, terwijl er in werkelijkheidverschillende ontwikkelingen naast en door elkaar heen liepen. Ten tweede brengt zo'n dwarsdoorsnede vergeten schilders voor het voetlicht en in dit geval ook schilders uit Europa's periferie zoals Finland, Rusland en Portugal. Een dergelijke opzet is ook eens in Nederland te zien geweest. Toen koos het Frans Halsmuseum 1913 uit om te laten zien wat dat jaar opgeleverd had op alle gebieden van kunst. Het Musée d'Orsay heeft zich tot schilderkunst beperkt, maar dat biedt al voldoende interessant materiaal.

Paris en München waren in 1893 de grote schildercentra, daar vonden de grote tentoonstellingen plaats. Maar juist in deze periode oefende de natuur een grote aantrekkingskracht op schilders uit, als onderwerp en als woonplaats. Een aantal bekende schilderskolonies op het platteland dateren uit deze periode, zoals Sint Martens Lathem, Pont-Aven en Worpswede. Dankzij gellustreerde tijdschriften, catalogi en reproduktie-series bestond er een intensieve uitwisseling van beelden en ideeën en hierdoor zijn er ondanks de diversiteit toch ook gemeenschappelijke trekken aan te wijzen.

Wat opvalt bij deze 95 schilderijen is het geruststellende karakter. Kunst die moest choqueren zoekt men hier vergeefs. Over het algemeen schilderde men in naturalistische of een postimpressionistisch stijl en dat gebeurde vaak in de open lucht. Er hangen dan ook veel landschappen en in die zin biedt deze tentoonstelling een geografisch panorama. We zien Russische meren, Noorse weiden en Franse stranden. Wanneer er een menselijke handeling geschilderd werd, dan levert ook dat een aangenaam bevestigend tafereel op. Er wordt veel gewandeld, veel thee gedronken in zonnige tuinen en piano gespeeld. Er hangen een paar sombere portretten en op een enkel stadsbeeld is het morsig regenachtig weer en dat is natuurlijk uitgerekend weer in Nederland, zoals op het doek Het Begijnenhof in Amsterdam door Johann Eduard Karsten. Kunst moest nog niet zo veel. Er hangen een paar sociaal bewogen schilderijen, zoals een optocht van Brabantse stakers door Eugène Laermans.

Er hangen pointillistisch werken, van Breitner en Bonnard zien we een paar prachtige stemmige vrouwenfiguren. Echt afwijkend zijn de symbolisten. Vertegenwoordigd door verschillende protagonisten als Edward Burne-Jones, Gustave Moreau, Jan Toorop en Johannes Thorn Prikker zijn ze in hun poging de eeuwige essentie te vatten, het meest gedateerd. Dit lijkt me nu zo'n stroming, die behalve in wat religieuze illustratieve kunst geen krachtig vervolg heeft gehad. Een doodlopende lijn in het handboek.

Werkelijk eigenzinnige eenlingen in het jaar 1893 waren Munch, Gauguin, Rousseau en Ensor. Vooral de laatste is de enige die een onheilspellende wanklank liet horen. Hij werkte gesoleerd in zijn atlier in Oostende terwijl het leven in de burgerlijke maatschappij zijn gang ging. Hoe dat er honderd jaar geleden uitzag kan men zien op een filmcollage. Stadsbeelden van Madrid en Edinburgh, Oslo en Parijs trekken aan ons voorbij, begeleid door muziek van Sibelius en Satie. Het is al een behoorlijk uniform Europa waar alleen nog in Sint Petersburg de modder het straatbeeld bepaalt. Deze filmfragmenten vormen een prachtige toegift bij deze dwarsdoorsnede van de late negentiende eeuw.