Eritreërs ruimden als eersten absurde koloniale erfenis op; Grenzen Afrika niet langer heilig

Decennia lang waren wijzigingen in de grenzen van de jonge Afrikaanse staten taboe, ook al hadden veel van diezelfde grenzen alleen op papier betekenis. Met de bekrachtiging van de onafhankelijkheid van Eritrea deze week lijkt er een kentering te zijn gekomen in het krampachtige vasthouden van de Afrikaanse staten aan de nationale soevereiniteit.

Een lange karavaan kamelen begeleid door jonge Afar-strijders trekt over de zinderende vlakte. Dit is een van de meest woeste, minst ontwikkelde gebieden van Afrika: grillige bergtoppen in kurkdroge, kale steenwoestijnen. Alleen geharde nomaden slagen erin in dit verlaten grensgebied van Djibouti en Ethiopië te overleven. Op de ruggen van de kamelen schommelen grote kartonnen dozen, met video's, computers, camera's, kleren, parfum en nog vele andere prijzige consumptiegoederen. Dit is een van de meest beruchte smokkelroutes van Afrika.

Daar waar oncontroleerbare grenzen liggen - en dat is vrijwel overal in Afrika - floreert de commercie. De grens tussen Zare en Angola bijvoorbeeld is een lange, illegale bazaar. De grote instabiliteit in beide landen heeft daarop weinig invloed. Het Westafrikaanse staatje Benin verdient een groot deel van zijn nationale inkomsten met smokkel in Nigeriaanse olieprodukten. In de bush bij het drielandenpunt van Oeganda, Zare en Soedan konden tot voor kort gloednieuwe koelkasten en Mercedessen worden aangeschaft. Waar in Afrika een grens is bevinden zich gehuchten waar het bruist van de smokkelactiviteit.

De Afrikaanse leiders besloten bij de onafhankelijkheid van hun staten in de eerste helft van de jaren zestig de door de blanke en Ethiopische kolonisten getrokken grenzen te aanvaarden. Zij zagen de absurditeit van deze grenzen die willekeurig door de kolonisten waren getrokken. Er bleef hun echter weinig keuze wilden zij hun jonge, fragiele naties - en daarmee hun eigen positie - behoeden voor een nieuwe machtsstrijd. Het streven naar onafhankelijkheid van de Eritreërs in Ethiopië, de Biafranen in Nigeria en de Somaliërs in Kenia, Ethiopië en Djibouti werd daarom goeddeels genegeerd door de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), de grootste pan-Afrikaanse organisatie.

De Eritreërs behaalden een historische overwinning toen zij in mei 1991 na dertig jaar hardnekkige strijd het kolossale Ethiopische regeringsleger op de vlucht joegen. Voor het eerst wordt een grens in Afrika gewijzigd. De wil van het volk had het gewonnen van jarenlange tegenwerking door Amerika, de Sovjet-Unie, Israel en de OAE. De onafhankelijkheid van Eritrea, die deze week wordt bekrachtigd door een nationaal referendum, schiep een belangrijk precedent. De koloniale grenzen van Afrika zoals die bestonden bij de onafhankelijkheid zijn niet meer heilig.

Wanneer zeven jaar geleden een leider van het Zuidsoedanese verzet werd gevraagd naar het doel van de strijd, was zijn antwoord steevast: een verenigd, democratisch Soedan met een eigen plaats voor de zuiderlingen. Het woord onafhankelijkheid viel niet in openbare discussies, hoewel de overgrote meerderheid der Zuidsoedanezen al drie generaties lang droomt van onafhankelijkheid. Het openlijke streven naar onafhankelijkheid, naar de opheffing van de heilige koloniale grenzen, zou politieke zelfmoord hebben betekend voor iedere Soedanese politicus. Afrikaanse staten willen in Zuid-Soedan de oprukkende invloed van de islam en de Arabieren een halt toeroepen. Het onafhankelijkheidsstreven van het zuiden kunnen zij echter niet steunen want daarmee ondergraven zij indirect hun eigen soevereiniteit.

Het politieke klimaat begint nu heel voorzichtig te veranderen. “Kijk toch naar Eritrea”, betoogde vorige maand de Zuidsoedanese verzetsstrijder Riek Machar. De oorlog in Zuid-Soedan heeft als nieuw doel gekregen een eigen staat, Zuidsoedanese verzetsstrijders eisen sinds kort een referendum à la Eritrea. Amerika gaf vorig jaar voor het eerst te kennen afscheiding van Zuid-Soedan als een reële mogelijkheid te zien. De de facto afscheiding van het noordelijke Somaliland in 1991 heeft geen enkele internationale erkenning gekregen. Maar van een openlijk verzet - zoals dertig jaar lang het geval was met Eritrea - blijkt eveneens geen sprake. Het is heel wel mogelijk dat Afrika en de internationale gemeenschap de wil van de bewoners van Somaliland alsnog zullen accepteren.

De identiteit van de zwart-Afrikaanse Zuidsoedanezen en die van de gearabiseerde inwoners van het noorden verschilt hemelsbreed. De op de Arabische wereld gerichte islamitische noorderlingen kennen hun zuidelijke landgenoten, die traditionele religies of het christendom aanhangen, even goed als de eskimo's de Tutsi's. Slavenhandel, en na de onafhankelijkheid in 1956 de arrogante behandeling door de noordelijke regeringen van het zuiden, verdiepten het wantrouwen tussen beide bevolkingsgroepen. De Zuidsoedanezen hebben dus, meer dan welk volk ook in Afrika, recht op hun onafhankelijkheid. Alleen al de uitzichtloosheid van het Noord-Zuid-conflict - de oorlog nam een aanvang in 1955 - en de steeds terugkerende islamiseringsdrang van de achtereenvolgende noordelijke regeringen, rechtvaardigen dit streven.

Naast sentimentele gronden kunnen de Zuidsoedanezen historische argumenten aanvoeren voor hun streven naar onafhankelijkheid. De meeste campagnes voor onafhankelijkheid in Afrika - of die nu met politieke of gewelddadige middelen worden gevoerd - ontbreekt het aan een dergelijke historische rechtvaardiging. De meeste volkeren die streven naar onafhankelijkheid, voeren aan te zijn gediscrimineerd in de nationale economie en politiek, en/of ze volgen kleingeestige "nationale' sentimenten. Wanneer deze criteria gaan gelden voor het recht op onafhankelijkheid kan de lijst lang worden: Somaliland, Cabinda (Angola), Ovimbunduland (Angola), Cassamance (Senegal), Oromia (Ethiopië), het Lozi koninkrijk (Zambia), Zuid-Tsjaad etcetera. Wanneer tribale scheidslijnen of die van taalgroepen bepalend zouden worden voor de grenzen, zou het continent in honderden ministaatjes uiteenvallen. De gevolgen van Eritrea's onafhankelijkheid kunnen dus angstaanjagend worden. Iedere Afrikaan weet hoe diep tribale haat kan reiken in het geval van oorlog.

Op enkele uitzonderingen na zoals in Soedan ligt de oplossing van de "nationaliteitenkwestie' in Afrika dus niet zozeer in het opnieuw vaststellen van grenzen. Of in geforceerde en daarom voor mislukking gedoemde samenvoeging van staten, zoals in het geval van Senegal en Gambia (Sengegambia) of Tanzania. Veel beter lijkt het om, zoals de meeste Afrikanen in de praktijk al doen, de koloniale grenzen zoveel mogelijk te laten vervagen. Alle obstakels die natuurlijke banden over de grenzen heen belemmeren, dienen te worden opgeruimd. Wat nu smokkel heet, moet erkende handel worden. De uitwisseling van goederen en ideeën, zoals die eeuwenlang plaats vond tussen Afrikaanse volkeren, moet worden hersteld.

Hoe minder overheidsbemoeienis, hoe creatiever en ondernemender de Afrikaan. De regeringen zullen een deel van hun nationale soevereiniteit daarvoor moeten opgeven en meer regionaal moeten gaan samenwerken. Er zal meer decentralisatie in besluitvorming moeten komen en een betere spreiding van industriële projecten. En vooral: meer democratie. Aan de tijd van geforceerde staatsvorming dient snel een einde te worden gemaakt.