De hang naar dwang

De Duitse president is er eens goed voor gaan zitten en heeft tamelijk vernietigende woorden gesproken over de partijen in zijn land. De aanleiding van het presidentiële vermaan is de wijze waarop de Duitse eenwording verloopt. De leugenachtige belofte dat hereniging geen offers zou vragen en de onwil om de instituties van de oude Bondsrepubliek door te lichten, zijn Von Weizsäcker een doorn in het oog.

Deze ruil van machtsbehoud en welvaartsbehoud, waarbij de burgers de politiek ongemoeid laten zolang deze hun voorspoed garandeert, vindt hij kenmerkend voor het politieke bestel en een groot gevaar: “dat gaat paradoxaal genoeg gepaard met een toenemend wantrouwen jegens de partijen en tegelijkertijd met een toenemende omkoopbaarheid van kiezers”. Aldus Von Weizsäcker in een lang interview, dat afgelopen vrijdag in Nederlandse vertaling is verschenen onder de titel Leven op de grens.

Ook al is de aanleiding specifiek, toch hebben zijn observaties over de misvorming van de liberale democratieën een algemene strekking. “Zijn de partijen alleen de schakel tussen de wil van het volk en de staatsorganen? Of zijn ze al lang een deel, en zelfs het belangrijkste deel, van de staatsorde, ook al staat dat zo niet in de grondwet?”, zo vraagt hij retorisch. De uitholling van het parlement is een belangrijk voorbeeld van deze meer dan slordige omgang met de grondwet.

Die woekering van partijen tot zoiets als een "partijenstaat' heeft tegenstrijdige gevolgen. De partijen zijn weliswaar alom tegenwoordig, maar ook tamelijk machteloos. Von Weizsäcker spreekt over "de weg van machtsbelustheid naar machteloosheid': “ik vind dat onze partijenstaat het stempel van beide draagt: men is machtsbelust bij de verkiezingen, en machteloos als men het politieke leiderschap inhoud moet geven”.

Het is de machtsbelustheid die velen met afgrijzen vervult over de partijpolitiek. En het is de machteloosheid die menigeen doet denken dat het geworstel in de partijenstaat voor het dagelijks leven van de burgers niet veel betekent. Waarom zou men luisteren naar partijen die niets te zeggen hebben?

Deze onverschilligheid over het wel en wee van de politieke partijen is misplaatst. Ook in Nederland worden we dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van de verzwakking van het landsbestuur. Omdat de partijen zichzelf zien als de belichaming van de democratie tout court, menen ze oprecht dat hun afnemende gezag wel moet wijzen op een ernstige crisis in de samenleving als geheel (Lubbers befaamde "Nederland is ziek'). De eigen tekortkomingen worden verklaard uit het gedrag van de burgers, die zich in eigen belang zouden wentelen. Maar dat tegenover het welvaartsbehoud een poging tot machtsbehoud staat, wordt zelden in dergelijke beschouwingen betrokken. Toch vertrouwt de gekozene de kiezer zoals hij zelf is.

Waar de morele zeggingskracht van partijen sterk vermindert, blijkt de hang naar dwang heel sterk te zijn. Of het nu gaat over immigratie, fraude of criminaliteit - het liefst ineengedraaid tot een kluwen - de hoge toon heerst in Den Haag. Dat daarbij het taalvuil zich ophoopt, kan niemand verwonderen. Het enthousiasme waarmee gesproken wordt over "mensen die moeten verdwijnen', "omgekeerde bewijslast' of "kampementen' is een aantasting van de democratische cultuur.

De nauwelijks verholen minachting waarmee een hoofdcommissaris van politie of een bevelhebber van het leger over de partijpolitiek spreken is een logische schakel in deze neergang. Ze maken dankbaar gebruik van de behoefte aan onpartijdige autoriteit, maar ook zij hebben welomschreven belangen op het oog. Dergelijke uitlatingen leiden weer tot ongerichte daadkracht in Den Haag. De een overschreeuwt de ander, totdat er weer een weldadige stilte intreedt. De misdaadcijfers verbeteren niet, de burger schokschoudert voort en het lijkt of er niets is gebeurd.

Dat is een misvatting. Er is intussen wel degelijk iets veranderd. De verzwakking van de partijenstaat heeft maatschappelijke onrust uitgelokt. Het is misschien een beetje een kwestie van de kip en het ei, want wat was er eerder: de maatschappelijke onveiligheid of de politieke onzekerheid? Hoe het antwoord ook precies uitvalt, de eigen bijdrage van partijen in nood aan de maatschappelijke verruwing mag niet weggeredeneerd worden. Onderwerpen zoals immigratie of criminaliteit zijn door de politiek verder aangescherpt, maar niet dichter bij een oplossing gebracht. Zo ontstaat een impasse, die de omgangsvormen in de samenleving zeer nadelig benvloedt.

Von Weizsäcker spreekt over een ruil van welvaartsbehoud en machtsbehoud, waarbij kiezers en gekozenen ieder hun deel nemen. Dat is natuurlijk een nogal plat beeld. Ook andere motieven spelen bij burgers en politici een rol. Was dat niet het geval dan zou elke poging om het "contract' tussen kiezers en hun vertegenwoordigers te herzien bij voorbaat kansloos zijn. Politieke vernieuwing betekent het doorbreken van die stilzwijgende ruil, wat allereerst wil zeggen dat de politieke partijen veel zelfstandiger hun houding bepalen en onder meer een matiging van individuele consumptie nastreven. De fractievoorzitter van de PvdA, Wöltgens komt in zijn boek Lof van de politiek een heel eind in deze richting.

Politici dwingen respect af als ze de maatschappelijke stemming niet voor lief nemen. Dus als het over de arbeidsongeschiktheid gaat, typisch een onderwerp dat werd doodgezwegen, is het heel goed dat politieke partijen de burgers uit hun tevredenheid opschrikken. En als het over immigratie gaat, typisch een onderwerp dat in de samenleving al voor de nodige opwinding zorgt, dan dienen partijen zich terughoudend op te stellen en niet te vluchten in de ruimtevrees van het "Nederland is vol'.

Hervorming van de politiek heeft ook een andere kant. Von Weizsäcker zegt: “de sleutel voor de levenskracht van de liberale democratie ligt echter niet in de kritiek op de partijen, maar in een levendige burgersamenleving, die inhoudelijk voorwerk voor de partijen doet en van hen vervolgens met meer recht politieke leiding kan eisen”. Dat is op het eerste gezicht een tegenstrijdig verlangen, want als de burgers zich meer laten gelden, hoe kunnen ze dan tegelijkertijd meer leiding van de partijen wensen?

De uitweg ligt in een zelfbeperking van partijen. Von Weizsäcker noemt daar voorbeelden van: - de direct gekozen burgemeester; - referenda met een bindend karakter; - constitutionele toetsing van wetten door de rechterlijke macht. Politieke vernieuwing betekent ook een afscheid van de partijenstaat. Wanneer politici het welvaartsegosme in de samenleving willen weerspreken, kunnen ze hun eigen machtsegosme niet buiten schot laten. Daarover lezen we in Lof van de politiek jammer genoeg heel wat minder.

Wij hebben geen staatshoofd die kan spreken zoals Von Weizsäcker dat doet, maar een breuk met de partijenstaat is ook voor ons van belang. De commissie-Deetman lijkt een andere weg te gaan bewandelen en is uit op een krampachtige handhaving van de overheersende plaats die politieke partijen in het bestuur hebben. De voorlopige afwijzing van een direct gekozen burgemeester wijst in deze richting. De gevolgen van een dergelijke keuze kunnen vèrstrekkend zijn. Want slechts met een toenemend beroep op dwang kan de partijenstaat zichzelf overeind houden.