De bondscoach kan voor de loper alleen maar dienstbaar zijn

ROTTERDAM, 19 APRIL. Geen verhaal over hoe lang het was, hoe ver. Eigen schuld, dikke bult. Ze wisten allemaal waaraan ze begonnen, wedstrijdlopers net zo goed als recreanten. Wat ze ook bewogen heeft.

Wel over hoe koud het was, hoe nat, in die dertiende marathon van Rotterdam. En over hoe weinig je als begeleider tijdens de wedstrijd kunt doen. Over de machteloosheid van de bondscoach op de motor.

Hij heeft zo'n twintig marathons te voet volbracht. Maar nooit had hij de wedstrijd op de motor gevolgd. Dat er bij de organisatie zoveel komt kijken, daar heeft hij nooit bij stilgestaan, zegt Matti de Vugt, 41 jaar. Grote, peinzende ogen onder zwarte krullen. Een frêle, pezige gestalte. Sinds 1 januari is hij bondscoach wegatletiek.

Tevoren had hij zijn rol als begeleider van Anne van Schuppen en Wilma van Onna, de twee Nederlandse favorieten bij de vrouwen, al “marginaal” genoemd. Dat was nog vier uur vóór de wedstrijd. Willie Mtolo, de grote Zuidafrikaanse kanshebber bij de mannen, lag nog te soezen in de lobby van het Zuiderparkhotel. Dionicio Ceron, de latere winnaar, zat te ontbijten in de Mekonnen-zaal. John Vermeule leverde zijn drinkflessen voor bij de vijf kilometer-punten net bij de vrijwilligers af.

“Als de atleet niet goed loopt, begin je op de motor niks”, had de bondscoach verklaard. “De loper moet het toch alleen doen. Als begeleider kun je alleen maar dienstbaar zijn. Daar moet je geen overtrokken verwachtingen van hebben.”

Wat je kunt doen, is tussentijden melden. Aangeven hoe groot een voorsprong is of juist een achterstand. Dat had Matti de Vugt gezegd, terwijl de eerste recreanten op de Coolsingel zich al warm liepen, gehuld in plastic zakken om zich te beschermen tegen de kou. Wat je ook kunt doen, is een extra bidonnetje meenemen, een t-shirt voor Van Onna. Dat is wel tegen de regels, en natuurlijk moeten de voorschriften worden nageleefd. Maar de nieuwe bondscoach is nog teveel sporter om formalistisch te zijn. “Het gaat er toch om de lopers te helpen?”

Verder kun je de lopers natuurlijk aanmoedigen, zeker de laatste zeven kilometers als hun spieren in opstand komen. Dat had de bondscoach verteld, terwijl bij de start een odeur van poffertjes, hamburgers en Vietnamese loempia's zich al mengde met de walm van massageolie. Maar aansporen moet je gedoseerd en weloverwogen doen. De ene loper wil naar de finish toegeschreeuwd worden. De andere wenst meer terughoudendheid. Daarom had De Vugt de avond tevoren overlegd met de loopsters, allebei “vrij rustige atletes”. En, nee, ze wensten niet te worden opgezweept.

Hij had ook met de atletes afgesproken, hoe hij hen begeleiden zou, als hun wegen zouden scheiden. Hij rekende erop dat de onderlinge afstand in de eerste helft van de marathon beperkt zou blijven. Tenslotte ging Van Onna weg op een tijd van 2.32, een minuut minder dan de richttijd van Van Schuppen. In dat geval zou hij tussen de twee loopsters heen en weer pendelen. Werd de afstand groter, dan zou hij kiezen voor de atlete die het dichtst in de buurt liep van de limiettijd voor de wereldkampioenschappen atletiek in Stuttgart. Want dat was het belang van de bond en de bondscoach: zoveel mogelijk atleten naar het WK.

Dat had hij verteld, terwijl de parasols op de terassen van het Stadhuisplein steeds harder begonnen te klapperen in de wind. Even tevoren had hij zelf nog een half uur gelopen “om het weer te proeven”. “Prima temperatuur”, had hij nog gezegd.

Maar het weer liet zich niet bezweren, hoe de deelnemers zichzelf ook voor de gek probeerden te houden. Direct na de start begonnen de eerste druppels al te vallen, al wenste niemand daarop acht te slaan. En op de Maasboulevard konden de lopers zich nog veilig wanen, omdat de zuidwestenwind hen in de rug blies. Maar halverwege, daar bij het bedrijventerrein van de Bankwerkersstraat, waar nog maar enkele toeschouwers stonden, diep verscholen in de portieken, daar sloegen wind en regen hen recht in het gezicht. Bij die lange lus rond het Zuiderpark konden ze ook de plassen niet langer ontwijken. Kou nam bezit van vetarme lijven. Verstijvende kuiten stremden de tred.

“Bar en boos” was het geweest, zei de bondscoach na afloop. Een kwartier na haar finish kon Anne van Schuppen het beven van haar lichaam nog steeds niet onderdrukken. Ook De Vugt had op de motor zitten rillen. Zijn spijkerbroek was doorweekt geweest. Zijn papier met tussentijden één grote vlek. Uiteindelijk had hij de tussentijden maar op zijn onderarm genoteerd.

Van de wedstrijd had hij niets gezien. Hij had alleen maar op zijn twee loopsters gelet. En of hij ze van nut was geweest? Dat hoopte hij. Het zat hem dwars dat hij ze in de slotfase niet beter genformeerd had over het onderlinge verschil. Dat had de uitslag misschien kunnen benvloeden. Dat was misschien een beoordelingsfout geweest.

Vijf kilometer voor het einde had hij gekozen voor de begeleiding van Van Onna. Van Schuppen leek af te stevenen op een eindtijd van 2.33. Twee minuten daarachter liep Van Onna precies op het schema van de internationale WK-limiet. Zij leek met zijn steun dus het meest gediend.

Maar door bij van Onna te blijven, zag de bondscoach niet dat Van Schuppen in de laatste kilometers nauwelijks meer vooruit kwam. Hij wist niet dat het tijdsverschil tussen de beide atletes dramatisch snel terugliep. Ook de loopsters verkeerden in verlammende onwetendheid. Groot was dan ook de verbazing toen Van Onna in 2.34,28, maar dertien seconden achter Van Schuppen, over de finish kwam.

Had Van Onna kunnen winnen, had Van Schuppen haar voorsprong kunnen verdedigen, als ze beter op de hoogte waren geweest? Onmogelijk vast te stellen. Maar voor de bondscoach een pijnlijke vraag. Hij weet ook wel dat marathonlopers het niet voor de lol doen: ze willen winnen. Van de ander. Van zichzelf.

Hij heeft het gemerkt sinds hij vorig jaar zijn laatste wedstrijd heeft gelopen. Dat zegt hij met “schaamte”, al is dat “een heel groot woord”. Hij ontdekte de kloof tussen theorie en praktijk. Want als gymnastiekleraar propageert hij dat je kunt lopen voor je plezier. Maar als recreant komt hij er zonder de stimulans van de wedstrijd maar niet toe om te trainen. “Presteren. Steeds verder, steeds sneller”, daar draait het om. En slechte weersomstandigheden zorgen dan onvermijdelijk voor een domper. Ook daar kun je als begeleider niets aan doen.