Wonen in de pre-regio

Volgens Bartjes zijn de structuren in het openbaar bestuur onuitroeibaar taai en weerbarstig.

De bestuurders van de regio Rijnmond geloven daar blijkbaar niet in, want ze hebben zojuist bestuurlijke hervormingsplannen gepresenteerd die gedragen worden door het optimisme dat de bestuurlijke victorie in Rijnmond zal beginnen. En zij zweren bij de daadkracht van een sterke man die de draak van de bureaucratie zal weten te verslaan. Vorige week stelden ze het kabinet voor een regeringscommissaris met spierballen te benoemen ter voorbereiding van de bestuurlijke voorzieningen in de Rijnmond, in de kennelijke verwachting dat zo'n mannetjesputter in staat is de tegenwerkende gemeentelijke krachten tot samenwerking te dwingen. De regeringscommissaris, schreven ze luchtig, kan niet alleen “coördinerend optreden maar ook knopen doorhakken”. De bedoelde regeringscommissaris moet zijn spierballen gebruiken “wanneer het sectordenken de overhand dreigt te krijgen in de stuurgroep, waarin Binnenlandse Zaken, de provincie Zuid-Holland en het Rijnmondbestuur zitting hebben” (samenvatting Staatscourant, 2 april).

Als hij al dood zou zijn, zou de vroegere regeringscommissaris voor de reorganisatie van de overheidsdienst H.D. Tjeenk Willink zich hoofdschuddend in zijn graf hebben omgedraaid. Tjeenk Willink heeft gedurende de helft van de jaren tachtig energiek met het bijltje van de bestuurlijke hervorming gehakt, maar voornamelijk frustraties geoogst doordat de "weerbarstige en taaie' ambtelijke structuren hem te machtig bleken. De ontnuchterende conclusies die hij dienaangaande in talrijke rapporten publiceerde zijn niet aan de bestuurders van Rijnmond besteed geweest. Conclusie I: het coördineren van de rivaliserende belangen in de overheidsdienst is onbegonnen werk als gevolg van “fundamentele tegenstellingen tussen deelnemers aan het beleidsproces”.

Conclusies II: die fundamentele belangentegenstellingen zijn zo verweven met de hele overheid, dat pogingen om die tegenstellingen te verzoenen schipbreuk zullen lijden en als een reëel bestaand gegeven geaccepteerd zullen moeten worden.

Als men een sterke man op het Nederlandse openbaar bestuur los laat met de opdracht knopen door te hakken, dan is deze gedoemd in zijn eigen zwaard te vallen. Of zoals Paul Kuypers, rechterhand van de toenmalige regeringscommissaris het in een van die rapporten heeft geformuleerd: “Oplossingen vanuit een centrale regie hebben zoveel negatieve effecten, dat zij voortdurend nieuwe problemen oproepen” (Berichten van de Regeringscommissaris: Kunnen politici veranderen?, Den Haag, 1987). De bestuurders van Rijnmond hebben dus niets geleerd van de negatieve ervaringen van Tjeenk Willink c.s., die tot hun chagrin ontdekten dat de smorende krachten van de bureaucratie sterker zijn dan de zachte krachten van de staatkundige hervorming.

De belangrijkste voorwaarde voor staatkundige hervorming blijft intussen een levendige publieke belangstelling. Die was bij het begin van de modernisering van de parlementaire democratie in 1848 van doorslaggevende betekenis, en die zal dat ook bij de lokale en regionale verkiezingen van volgend jaar zijn - in negatieve dan wel positieve zin. Zonder een krachtige heropleving van de publieke belangstelling voor de staatsinstellingen zal er van de voorgestelde bestuurlijke hervorming zoals in Rijnmond weinig terechtkomen. De politieke partijen doen er verstandig aan zich nog eens in de omstandigheden van de staatkundige malaise vóór 1848 te verdiepen, omdat die sterke overeenkomsten vertoont met de politieke malaise van deze tijd.

In zijn pioniersjaren waarschuwde Thorbecke eerst en vooral tegen een bewind dat van het bestuur een zaak voor zichzelf maakte. Hij hekelde het openbaar bestuur in provincie en gemeente als een mengsel van oud-Nederlandse en Napoleontisch-Franse elementen, “zonder publiek leven”. En hij liet op dat oordeel de bekende aanklacht volgen: dat komt ervan als men te lang vasthoudt aan een door en door verouderde grondwet die de politieke wil van de burgerij “onderdrukt en volkskracht buitensluit”. In het rapport van de grondwetscommissie, dat in april 1848 aan de koning werd aangeboden, schreef hij: “Het is ongelofelijk hoe vreemd de ingezetenen tot dus ver aan kennis en behandeling zelfs van de dagelijksche aangelegenheden der plaats hunner woning zijn gebleven”, waarop hij de beroemd geworden uitspraak liet volgen: “Intusschen moet staatsburgerschap bij een werkzaam plaatselijk burgerschap beginnen”.

In de toekomstige regio Rijnmond-Rotterdam is men 150 jaar na dato intussen langzaamaan teruggekeerd naar het ontwikkelingsstadium uit de dagen van Thorbecke. Het publieke leven is er even ontzield en de politieke volkskracht even onderdrukt. Het openbaar bestuur in deze contreien lijkt niet wakker te liggen van de onmiskenbare apathie onder de kiezers, want het heeft zich totdusver nog geen moeite getroost het publiek voor de nieuwe bestuurlijke voorzieningen te winnen. In de recente discussienota over de nieuwe stadsregio wekt het dagelijks bestuur van de regio Rijnmond eerder de indruk dat het er in de eerste plaats op uit is andere sectoren van het openbaar bestuur te bekeren. Het is een discussiestuk van bestuurders voor bestuurders. Het publiek doet er kennelijk niet toe, want het stuk is geschreven in een bestuurlijke computertaal die voor de kiezers even onbegrijpelijk als afstotend is.

De sleutelbegrippen zeggen daaromtrent al genoeg. Rotterdammers wonen straks niet meer in de gemeente Rotterdam en in de provincie Zuid-Holland maar in de stadsregio, en in de preliminaire fase in de pre-regio, die zal worden bestuurd door een interim-bestuur. Dat belooft een electorale opkomst van jewelste! De eerder genoemde Staatscourant ontleent aan de discussienota (geheel in stijl getiteld De Aanpak) de informatie dat “het bestuur van deze zogenaamde pre-regio al in 1994 direct een aantal belangrijke, regionale taken zou kunnen oppakken”. Dat oppakken is een omineus woord uit het Newspeak van het moderne openbaar bestuur dat dodelijk is voor de politieke belangstelling en bewust gebruikt wordt om de publieke belangstelling ("het werkzaam plaatselijk burgerschap") op afstand te houden.

Tegenover die duistere turbo-taal van de politieke knutselaars klinkt het archaïsche Nederlands van de oude Thorbecke nog onverminderd verfrissend. “De Grondwet heeft staatsburgerschap, de eerste drijfveer onzer eeuw, zooveel zij kon, laten slapen. Om hartstogt te mijden, brak zij de ziel. De burgerij had tot hiertoe het besef, dat zij mederegeerde, niet”.