Weerbarstig wetenschapsbeleid vraagt om volledige consensus

Wetenschapsbeleid is weer terug op de Nederlandse bestuurlijke en politieke agenda.

Minister Ritzen van onderwijs, tevens coördinerend minister voor het wetenschapsbeleid, heeft in zijn jaarlijkse Wetenschapsbudget getracht een vanouds weerbarstig onderwerp een nieuwe kans te geven. Hij staat daarin niet alleen. De mondiale economische recessie roept bij politici de vraag op of die dure wetenschapsbeoefening (toch al bekostigd door de overheid!) niet enig soelaas zou kunnen bieden. Zowel in de Verenigde Staten als in Engeland en Duitsland pogen nieuwe bewindslieden het innoverend vermogen van "hun' wetenschappelijke en technologische onderzoekers dienstbaarder te maken aan economisch herstel en concurrentiekracht; Frankrijk zal wellicht volgen zodra het stof van de recente verkiezingsstrijd is opgetrokken.

Meer dan de genoemde grote Europese landen is Nederland geneigd rekening te houden met het beleid van de EG. Daar is het wetenschapsbeleid onverhuld dienstbaar gemaakt aan de primaire doelsteling: de bevordering van de Europese concurrentiekracht opdat de Europese industrie zich kan blijven meten met die van Noord-Amerika en Oost-Azië.

Tijdens de EG-topontmoeting van december 1992 in Edinburgh werd afgesproken dat het huidige budget voor wetenschap en technologische ontwikkeling, ongeveer vijf miljard gulden, op jaarbasis in de komende vier jaar mag uitgroeien naar zo'n zeven miljard. Dat is iets meer dan de totale jaarlijkse inspanning van de Nederlandse overheid: 4.8 miljard in 1993 waarvan de helft onder verantwoordelijkheid valt van minister Ritzen.

Hiermee zijn de verhoudingen al geïllustreerd: in kwantitatief opzicht speelt de EG als onderzoekfinancier in Europa vooralsnog geen opzienbarende rol. Toch moet het effect op bijvoorbeeld vernieuwing van onderzoek niet worden onderschat. Het nog wat vage voornemen van de nieuwe EG-commissaris voor wetenschap en onderzoek, Antonio Ruberti, om over de besteding van EG-subsidies rechtstreeks in gesprek te komen met de Europese onderzoekers, maakt het in principe mogelijk een zekere coördinatiewinst te boeken; op een beperkt aantal terreinen, bijvoorbeeld High Performance Computing, kan de EG zich desgewenst zelfs een leidersrol aanmeten.

Niet alleen de EG mikt in een tijd van economische stagnatie op een uitbreiding van de middelen voor onderzoek. In de Verenigde Staten heeft het duo Clinton/Gore zich sterk gemaakt voor een forse stimulans van onderzoek en vooral technologische ontwikkeling. Daartoe wordt het Advanced Technology Program van het Commerce Departement in vier jaar tijd verhoogd met ruim een miljard gulden, terwijl de National Science Foundation (NSF) er zelfs vier miljard gulden bij krijgt voor gespecificeerde programma's. Met eenzelfde bedrag wordt de leidende rol van de Verenigde Staten in High Performance Computing uitgebouwd.

Al met al goed nieuws voor collega-onderzoekers in de Verenigde Staten, maar er is een keerzijde. De Amerikaanse regering wil het accent verleggen van strategisch onderzoek naar technologische ontwikkeling, met de nadruk op versnelde commercialisering van resultaten. Waardoor er wellicht minder ruimte komt voor ongebonden fundamenteel onderzoek. Grote verliezers zijn prestigieuze projecten als het ruimtestation Freedom en de deeltjesversneller SSC die voor minder geld, of met vertraging zullen worden uitgevoerd.

Nederland is maar een klein land en moet het vaak hebben van samenwerking met anderen; dat beperkt de mogelijkheden voor zelfstandige beleidskeuzen. Maar toch zijn er nogal wat parallellen met de ontwikkelingen in de Verenigde Staten. Nederland kan het wat kalmer aan doen met enkele prestigieuze en groeigrage projecten in de hoge energie fysica (CERN, in Genève) en de ruimtevaart omdat de Europese partners, geplaagd door een gemeenschappelijke economische malaise, een adempauze eveneens goed kunnen gebruiken. En, evenals in de Verenigde Staten, zijn er aan de andere kant de ambities. Ambities, die grotendeels gericht zijn op exploitatie van onderzoek voor de versterking van de Nederlandse economie.

Op zichzelf is daar niets tegen. Een welvarend land, met een democratische samenleving, is een noodzakelijke voorwaarde voor goed gedijend wetenschappelijk onderzoek. Onderzoekers zijn zich, meer dan voorheen, bewust van een kritische omgeving waarin belangen worden afgewogen. Afwegingen, die mogen resulteren in andere eisen aan het universitaire onderzoek.

Vanzelfsprekend moet het dan gaan om realistische eisen, die rekening houden met de typische constanten van het universitaire systeem. De dynamiek van de universiteit, niet in de laatste plaats ten aanzien van een verandering van het karakter van het onderzoek, is beperkt. Men moet begrip opbrengen voor de hoogleraar die vastberaden persisteert bij eigen keuzen ten aanzien van het onderzoek, zeker als het gaat om fundamenteel onderzoek. Maar “de overheid heeft uitdrukkelijk het recht namens de samenleving keuzes te maken ten aanzien van de inzet van middelen voor fundamenteel onderzoek”, aldus een opmerkelijke passage uit het commentaar van de KNAW op het Wetenschapsbudget. Het hanteren van dit formele recht is een delicate zaak en vereist veel kennis van de basisprocessen om de nadelige effecten van interventies binnen de perken te houden.

Welke wegen staan de overheid open om een, namens de samenleving gekozen, wetenschapsbeleid in te voeren? Gebruikelijk in ons land is de uitgebreide consultatie van belanghebbenden en deskundigen alvorens de politiek eraan te pas komt: de minister presenteert zijn keuzen die vervolgens in het parlement worden bezegeld. Bij dit laatste kunnen nog gemakkelijk ongelukken gebeuren als er in het proces van consultatie geen volledige consensus kon worden bereikt. Consensus, die ook goed van pas komt in het traject van de uitvoering van het beleid.

Het is dan ook ongetwijfeld met de beste bedoelingen dat de minister gekozen heeft voor een proces van verkenningen waarbij in principe iedereen over alles meepraat; voor dit doel is zelfs een nieuw overlegorgaan in het leven geroepen, de Overleg Commissie Verkenningen (OCV). Maar de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) typeert, in een kritische analyse van het Wetenschapsbudget, deze moeizame aanpak als "consensus-idealisme' en verwacht er niet veel goeds van.

Ook de minister heeft er kennelijk een hard hoofd in want zonder het pad van verkenning en overleg af te lopen kiest hij al meteen een aantal prioriteiten. Deze daadkracht wordt echter niet of nauwelijks met middelen aangekleed, waardoor de plannen van de minister de allure van een naaktstudie krijgen. Het kan dan ook nauwelijks verwonderen dat de minister het oog gericht houdt op de kleerkast van de universiteiten waarvan inmiddels de sleutel, na aanvankelijke consensus, lijkt zoek geraakt in de niet ongebruikelijke mist van interpretaties van afspraken.

Zou het niet alsnog beter zijn dat minister en parlement, geadviseerd door de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT), op sobere wijze enkele concrete doelstellingen formuleren en daarvoor het kader vaststellen, waarna via de beproefde mechanismen door universiteiten en NWO een realistisch en controleerbaar implementatieproces kan worden ingezet? Ieder in zijn eigen rol, het wiel hoeft toch niet opnieuw te worden uitgevonden?