Vrede in zicht voor Turkse Koerden; Na negen jaar bloedige strijd doemen er plotseling vreedzame scenario's op

ANKARA, 17 APRIL. In enkele weken tijd heeft de Koerdenkwestie in Turkije een nieuwe dimensie gekregen. Na negen jaar guerrilla-oorlog en een kleine 6.000 doden verdringen politici, intellectuelen en bureaucraten elkaar nu om te verklaren dat de tijd rijp is de gewapende strijd te vervangen door de politieke strijd.

Aan de hand van democratische hervormingen moet de Koerdische bevolking in Zuidoost-Turkije de kans krijgen haar identiteit uit te dragen. Daarbij wordt gewezen op onder andere de uitgangspunten van het Handvest van Parijs en de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking (CSVE).

Deze nieuwe wind is het gevolg van het staakt-het-vuren dat de Koerdische Arbeiderspartij, de PKK, vorige maand voor 25 dagen afkondigde. Die periode verstreek deze week, waarna PKK-leider Abdullah Öcalan - gezien de relatieve rust in het Koerdische Zuidoosten - gisteren op een persconferentie in de Beka'a-vallei in Libanon een verlenging voor onbepaalde tijd aankondigde. Wel eiste hij dat ook het Turkse leger in het Zuidoosten afziet van verder militair geweld en dat de Turkse regering zich serieus buigt over zijn voorstel om van het Koerdische Zuidoost-Turkije een federale staat te maken. Analoog aan wat ook de Koerden in Irak voor ogen staat, zo gauw de gewraakte dictator Saddam Hussein daar is verdreven.

De federale staatsvorm is vooralsnog onbespreekbaar in Turkije, dat pas anderhalf jaar geleden de Koerden officieel erkende. Premier Süleyman Demirel en vice-premier Erdal Inüon bezochten eerder deze maand voor het eerst sinds ruim een jaar Zuidoost-Turkije weer en hun aandacht richtte zich niet zozeer op politieke hervormingen maar vooral op het bestendigen van de vrede in de Koerdische regio. Dat kan volgens hen alleen maar worden bereikt als de guerrillastrijders ertoe worden overgehaald zowel de wapens neer te leggen als hun stellingen in de bergen te verlaten om zich over te geven aan de Turkse staat. PKK-leider Öcalan zegt dat zijn organisatie over tenminste 10.000 gewapende rebellen beschikt in Turkije, maar de veiligheidsautoriteiten houden het op maximaal 4.000 strijders.

In Ankara leeft het idee de gewapende rebellen te laten profiteren van een aangepaste vorm van de "spijtoptantenwet', die mensen die tegen de staat gerichte activiteiten hebben ontplooid strafvermindering toekent als ze na hun arrestatie met de staat samenwerken. De PKK, Koerdische parlementariërs en een groot deel van de Sociaal-Democratische afgevaardigden in het parlement dringen aan op een algemene amnestie.

President Turgut Özal heeft een tussenoplossing voorgesteld: de Koerdische seperatistische strijders die niet deel hebben genomen aan gewapende acties kunnen naar hun dorpen terugkeren, terwijl de rebellen die dat wel hebben gedaan worden veroordeeld. Maar ze worden pas gedwongen hun straf uit te zitten als ze binnen vijf jaar in hun oude fout vervallen.

Zo gauw de guerrillastrijders de bergen hebben verlaten, is de Turkse regering bereid de in 1987 ingestelde uitzonderingstoestand in 10 Koerdische provincies op te heffen. Deze omstreden maatregel onthoudt de Koerdische bevolking tal van democratische rechten en geeft zowel de bestuurlijke autoriteiten als het leger, dat massaal in de regio is gestationeerd, de vrijheid een repressief bewind te voeren. Nog onlangs werden 1.500 Koerden uit hun dorp verdreven.

In een volgende fase wil de regering aan de hand van een grootscheeps investeringprogramma de onderontwikkelde Koerdische regio in vijf jaar alsnog tot bloei brengen. Hoge bureaucraten, als het hoofd van het staatsplanbureau, zijn inmiddels naar de meest achtergebleven oorden, Hakkari en Sirnak, afgereisd om daartoe plannen op te stellen. Het idee is om uiteindelijk een kleine 800.000 arbeidsplaatsen te creëren en de overheidvoorzieningen te verbeteren.

Aan de andere kant liet de minister van binnenlandse zaken, Ismet Sezgin, weten dat wat hem betreft de dorpen in Zuidoost-Turkije hun Koerdische namen weer kunnen aannemen, dat de Koerdische bevolking niet langer gedwongen moet worden hun kinderen Turkse namen te geven en dat de grondwet in zoverre gewijzigd moet worden dat televisie- en radio-uitzendingen in het Koerdisch mogelijk worden. De schatting is dat sinds de oprichting van de Turkse republiek in 1923 meer dan 20.000 geografische aanduidingen - voornamelijk Koerdische - gedwongen werden veranderd in het Turks.

Rivaliserende Koerdische groeperingen proberen intussen tot een vergelijk te komen. De spil van die besprekingen is PKK-leider Öcalan, die tijdens de persverklaring in de Beka'a-vallei dan ook werd omringd door tal van Koerdische medestanders. De gedachte is dat de PKK zich in de vorm van een breed samenwerkingsverband een politiek platform verwerft om de Koerdische kwestie zowel nationaal als internationaal aan de orde te stellen. In de Turkse pers worden al parallellen getrokken met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO.