Scheppen of praten

DE TWEE KRANTEBERICHTEN hebben op het eerste gezicht niets met elkaar te maken.

In het ene artikel wordt gemeld dat de bouw van de zogeheten 'Larmagtoren', de 210 meter hoge wolkenkrabber die bij Amsterdam Sloterdijk was voorzien, nog zeker drie jaar op zich zal laten wachten. De vertraging is veroorzaakt door de weigering van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland om voor de bouw een verklaring van geen bezwaar af te geven. Deze verklaring was nodig om de bouw over een half jaar te kunnen laten beginnen. Het provinciaal bestuur van Noord-Holland gaf echter de voorkeur aan een zorgvuldige afweging door middel van de volledige bestemmingsplanprocedure, wat betekent dat de bouw nog minstens drie jaar zal worden uitgesteld.

Het andere bericht kwam eerder deze week uit Tokio. De Japanse regering had besloten nog dit begrotingsjaar voor een bedrag van 211 miljard gulden te investeren in de infrastructuur van het land. Een pakket dat moest worden gezien als een aanvulling op het eerdere stimuleringsprogramma van 155 miljard gulden dat ook al voor het grootste deel opging aan infrastructurele projecten.

Amsterdam en Japan. In beide berichten gaat het om grote werken. Het verschil is dat er in het eerste geval sprake is van uitstel en in het tweede geval van aanvang. Hoewel de vergelijking ongetwijfeld in veel opzichten mank gaat, stemt het toch tot nadenken. Elders wordt gebouwd. In Nederland wordt vooral over grote werken gesproken. Vier extra tunnels voor het autoverkeer, inpoldering van de Markerwaard, aanleg van de Nederlandse tak van de TGV, de Betuwespoorlijn, verplaatsing van het vliegveld Zestienhoven, rijksweg 19 tussen Delft en Rotterdam, het is maar een greep uit de vele infrastructurele werken die regelmatig in het nieuws komen omdat de uitvoering opnieuw is uitgesteld. Zeker, er wordt ook wel eens wat afgemaakt. Zo werd vorige maand rijksweg 7 tussen Hoogezand en de Duitse grens opengesteld. De weg waarvoor het tracé op 20 juli 1971 werd vastgesteld.

Het gaat er nu niet om of verbindingen al dan niet moeten worden aangelegd of dat gebouwen wel of niet 'landschapsvervuilend' zijn. Een rechtsstaat dient zijn burgers de mogelijkheid te bieden bezwaar aan te tekenen. Beroepsprocedures horen bij een volwassen democratie. Maar een volwassen democratie is ook gebaat bij besluitvorming. Het beeld dat nu overheerst is toch dat er 'in afwachting van' helemaal niets meer besloten kan worden: verlammende procedures, verlammende reeksen rapporten en een stilzwijgende consensus dat dit land niet in staat is prioriteiten te stellen.

DE BESLUITVORMINGSPROCEDURE voor de aanleg van een weg neemt in Nederland minimaal acht jaar in beslag en maximaal 23 jaar. Hetzelfde geldt voor de aanleg van een nieuwe spoorlijn. In het buurland België is er minimaal twee jaar mee gemoeid en maximaal acht jaar. Weer iets zuidelijker, in Frankrijk, zijn de termijnen minimaal drie jaar en hooguit vier jaar. Hoe kleiner het land, hoe langer de procedures, zo lijkt het wel. In het land waar de autonomie van de vele bestuursorganen een groot goed is, is dit niet verwonderlijk. De plannenmakers van de Europese hoge-snelheidslijn komen voor hun laatste laatste 150 kilometer drie verschillende overheden tegen (rijk, provincies, gemeenten) plus de diverse beroepsintanties. Tijdelijk eindstation Roozendaal is daarvan straks het zichtbare resultaat.

Dat de proceduretermijnen in Nederland lang zijn, wordt inmiddels bijna algemeen erkend. Althans, als wordt afgegaan op de reacties van de meeste fracties in de Tweede Kamer op de Tracéwet, die voorziet in het bekorten van de besluitvormingstermijnen. Volgens dit wetsvoorstel van de ministers Maij-Weggen en Alders zal de tijdspanne tussen plan en uitvoering straks nog maar hooguit viereneenhalf jaar bedragen. Een aanzienlijke verbetering vergeleken met de kwart eeuw die er nu voor staat, maar het is nog altijd meer dan een regeerperiode.

De Tracéwet bekort weliswaar de procedures, maar blijft toch de geest uitademen van het draagvlak dat zo groot mogelijk moet zijn. Dat is een over het algemeen goede benadering, maar bij grote infrastructurele werken juist een veelal onmogelijke. Want dan is er toch altijd de onoverbrugbare kloof tussen het eigen belang van de klager die een weg of spoorlijn door zijn achtertuin ziet lopen en het algemeen belang dat de overheid representeert. Lange procedures veranderen de argumenten niet. Het komt uiteindelijk neer op de afweging welk belang moet prevaleren. Een afweging die in feite al gemaakt is op het moment dat een plan wordt ingediend. Waarvoor zijn er anders een parlement en een regering? Zo beschouwd is een besluitvormingstermijn van viereneenhalf jaar nog steeds zeer ruim bemeten.