Ruiter moet durven wachten in de military; "Een paard vindt de military niet zo moeilijk'

KNEGSEL, 16 APRIL. “In de military sport gaat het er om of je die hindernissen aandurft. Dat is de essentie. Het gros van die Engelse meiden is gruwelijk brutaal en die hebben zoveel zelfvertrouwen dat het ze meestal nog lukt ook, maar niet dankzij hun rijkunst. Durf is waar het om gaat. Die hindernis is in principe zo gemaakt dat het paard er overheen kan. Je kijkt wat de kortste weg is en dat durf je als ruiter aan of je durft het niet. De rest is bijzaak.”

Internationaal springruiter Albert Voorn is behalve trainer van renpaarden sinds vorig jaar ook een van de circa vijftien military ruiters die ons land telt. Hij had succes vanaf de eerste wedstrijd die hij reed. Dit weekeinde rijdt Voorn met Champagne Kate in het Brabantse Helvoirt. Vandaag de dressuurproef en het springparcours, morgen een 4,5 kilometer lange cross over 25 hindernissen met een maximale hoogte van 1.20.

Als het allemaal goed gaat rijdt hij over veertien dagen zijn eerste drie sterren-military in Saumur om uiteindelijk volgend jaar aan de wereldkampioenschappen mee te doen. “Eerst wil ik wel eens zien of ik een drie sterrenwedstrijd goed dooorkom. Is het een catastrofe? Gaat het goed? Daar hangt alles van af. Ik wil graag naar de Europese kampioenschappen military in Achelschwang. Er mogen zes Nederlandse ruiters naar toe, waarvan er vier in het team zitten. Als er bij de EK een resultaat uitkomt dat belovend is dan neem ik aan dat Champagne Kate de kwaliteit heeft voor de wereldkampioenschappen.”

Angst is een van de verschillen tussen het "gewone' springen en de military. “Bij mijn eerste military in Le Lion d'Angers verkende ik het parcours. Dan kom je bij de "footbridge', een sloot van anderhalve meter breed, waar op een hoogte van 1.20 diagonaalsgewijs een brug overheen is gebouwd. Je ziet een gat ervoor en een gat erachter. Dan denk je: "nou, dat is nogal wat'. Maar de alternatieve route is niet de snelste weg, dus spring je de "footbridge' via de snelste en dus kortste weg. Ik ga ervan uit dat ik met een paard naar een military gadat voldoende moed heeft om rechtdoor te gaan. Bovendien ben ik er 100 percent van overtuigd dat het paard een military niet zo moeilijk vindt als wij allemaal denken. Als je dan later bij het rijden er voor zorgt dat je paard passend en met impuls bij het eerste gedeelte van de combinatie komt dan ben je er overheen voordat je het zelf in de gaten hebt. En dan denk je : "was dat nou alles'.”

“Ik loop de cross drie keer: eerst bekijk ik op mijn gemak alle hindernissen. De tweede keer krijg ik al meer een gedachte over hoe ik hem zal rijden. En de derde keer neem ik een besluit en daar wijk ik dan niet meer van af. In Le Lion d'Angers koos ik over de watercombinatie naar mijn idee de eenvoudigste weg. Later bleek niemand de route te nemen die ik had gekozen. Ik heb mijn eigen lijn aangehouden en was vele seconden sneller dan de rest. Ik denk dat je het allemaal heel eenvoudig moet houden. Dat is met alles zo in de paardesport.”

Twee jaar geleden reed Voorn zijn eerste samengestelde wedstrijd, een soort lichte military. Hij werd vierde en vijfde, omdat de dressuur nog niet zo goed ging. Vanaf dat moment reed Voorn elke dag dressuur. Twee maanden later won hij in beide ringen de jaarlijkse wedstrijd in Veghel. Vorig jaar vroeg military-amazone Astrid van Leeuwen of hij twee van haar paarden wilde rijden. Voorn startte in de categorie "midden' (M) en werd eerste en tweede. De concurrentie begon wat te brommen. Internationaal springruiter Albert Voorn rijdt drie klassen te laag en haalt zo de prijzen voor onze neus weg.

Sindsdien rijdt hij "zwaar' (Z). Hij won in Wassenaar de eerste de beste "zware' samengestelde wedstrijd waar hij aan mee deed, werd kort daarop Nederlands kampioen in de klasse Z en reed een maand later in zijn eerste military in het Franse Le Lion d'Angers ruim binnen de tijd.

Wat Voorn in een half jaar deed, doet het merendeel van de samengestelde wedstrijdruiters niet in hun gehele sportcarrière. Het is alsof biljarter Ceulemans na een half jaar oefenen bij de eerste vijf eindigt in het wereldkampioenschap snooker, of tafeltennister Vriesekoop na een paar maanden trainen ver komt in een groot tennistoernooi.

De paarden waar Voorn op rijdt zijn eigendom van de familie Van Leeuwen. In de week voor de wedstrijd rijdt Voorn drie keer dressuur. Daarnaast rijdt hij veel lage springwedstrijdjes, want zo zegt Voorn “in het algemeen zijn de meeste military-paarden niet zulke voorzichtige springers.” “Daarom moet je proberen uit te vinden wat voor een bepaald paard de beste manier is om een parcours te springen. De een moet je veel helpen, de ander weinig. Met de een moet dicht naar de hindernis toe rijden, met de ander juist niet.”

“Champagne Kate heeft meer te lijden van een springparcours dan van een cross. Kate laadt zich in een parcours enorm op, zodat het van essentieel belang dat ik weet hoe ik de spanning tijdens de rit kan verdelen. Als ik dat niet oefen, kan ik dat niet. Het is heel anders rijden dan met een springpaard. Elke sprong moet voor honderd percent passen en dan doet ze haar best. Maar het moet wel van mij komen. Als ik faal, dan faalt zij ook.”

Volgens Voorn is het rijden van een cross makkelijker dan het rijden van een springconcours. “Bij een springconcours moet je ervoor zorgen dat die palen er niet afvallen. In een cross vallen ze niet. Het enige probleem is dat je er netjes passend bijkomt. Dat heb je bij een springconcours natuurlijk ook, maar in de cross is de marge veel groter, komt het niet op een centimeter of wat aan.”

“Bij de cross mag je geen tijd verliezen. Op hindernissen zoals waterinsprongen en combinaties moet je het kalmer aan doen. Dan moet het tempo lager en spring je vaak net als in een springparcours. De tijd die je dan verliest moet je op de enkelvoudige hindernissen goedmaken. Als mijn paard voluit wil, mag dat. In de cross rijd ik hard en dat tempo probeer ik op de enkelvoudige hindernissen aan te houden. Daar heb ik wel even nodig voor gehad om dat te leren.”

“Het is de kunst om de moed op te brengen om niet te trekken aan de teugels en niet te knijpen met je benen en snel, maar beheerst naar de hindernis toe te rijden. Met druk op de teugel en druk van de kuit laat ik die hindernis naar mij toekomen. Als je dan stil blijf zitten, niets probeert te regelen en het paard in dat hoge ritme laat lopen krijg je de mooiste sprongen. Het gaat fout als je niet de moed hebt om te wachten.”

“Als je een zeer hoog tempo rijdt en de ruiter ziet niet hoeveel galopsprongen het paard zal maken voor de hindernis dan gaan de gaan de meeste ruiters aan de teugels trekken en gaan ze met hun benen knijpen. Het paard wordt dan alleen maar sterker en je loop de kans dat hij slecht springt: te vroeg of te laat afgaat en dan een enorme sprong moet maken of juist zijn voorbenen heel snel moet optrekken.”

“Een ruiter moet de moed hebben om te wachten. Zichzelf de gelegenheid geven de afstand te zien. Hoeveel galopsprongen maakt niet uit. De ene keer past het beter dan de andere keer, maar als je wacht past het altijd. Dat is iets waar je op moet oefenen. Ik ben ooit op een dikke oxer toegereden in een hoog tempo en de laatste twee galopsprongen zei ik: "zo Voorn, het is goed'. En omdat ik niks doe lijkt het voor anderen dat ik het al van heel ver zie, maar dat is niet zo.”

“Zenuwachtig ben ik niet bij het springen. Ik spring liever een grote prijs van Amsterdam of een wereldbeker dan zo'n klein geiteparcoursje voor een military. Want vijf balken en ik kelder een eind en dat is een ramp.”