Omroepen behoeven nieuwe regels over sponsoring

Er is weer commotie in omroepland nu de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat omroepen verantwoordelijk zijn voor de sponsoractiviteiten van externe producenten.

Volgens de rechter verbiedt artikel 56 van de Mediawet dat derden waarmee de omroepen ten behoeve van hun programma een relatie hebben “op geld waardeerbaar voordeel van derden bedingen of aanvaarden”. Omroepen die kunnen vermoeden dat externe producenten via sponsoring of sluikreclame (productplacement en andere vormen van verborgen produktreclame) in de kosten van een produktie voorzien, verzaken hun zorgplicht die in de Mediawet is neergelegd. Een sanctie door het Commissariaat voor de Media kan het vervolg zijn.

In de twee zaken waarop de uitspraken betrekking hebben, hadden de omroepen (AVRO en NCRV) contracten afgesloten met externe producenten waarbij voor de te produceren programma's slechts ƒ 5.000,- respectievelijk ƒ 10.000,- per aflevering behoefde te worden betaald. Dit zijn onwaarschijnlijk lage bedragen die in geen relatie staan tot de werkelijke kostprijs. Ter indicatie: de landelijke omroepen ontvangen uit de omroepbijdrage en reclame-inkomsten een gemiddelde uurvergoeding van zo'n ƒ 85.000,-. Het is duidelijk dat de desbetreffende producenten dus elders middelen moesten vinden om uit de kosten te komen.

Er is natuurlijk veel voor te zeggen dat omroepen zich niet achter een Pilatushouding kunnen verbergen wanneer het gaat om sluikreclame en ongeoorloofde sponsoring. Zeker in een publiek omroepbestel is een dergelijk uitgangspunt prijzenswaardig.

De Raad van State heeft echter een wel erg ruime interpretatie gegeven aan het betreffende wetsartikel, dat afkomstig is uit de omroep-CAO en bedoeld was om het aannemen van steekpenningen tegen te gaan. Uitsluitend door zich op de letterlijke tekst van dit artikel te beroepen, kon de Afdeling Rechtspraak tot haar beslissing komen, waaraan bij nadere studie verstrekkende consequenties zijn verbonden.

Op het eerste oog lijkt het allemaal mee te vallen. Omroepen zouden aan de gevolgen van de uitspraak kunnen ontkomen door voortaan rechtstreeks te contracteren met sponsors. Omroepen die zelf de sponsoring regelen handelen niet in strijd met de Mediawet. De producent als "middle man' wordt dan uitgeschakeld. De nieuwe serie van "Pleidooi' hoeft dus niet in gevaar te komen. Voortaan onderhandelt de voorzitter van de AVRO rechtstreeks met Dommelsch Bier, Renault, Kluwer, etc. Producent ID-TV is van al deze beslommeringen bevrijdt en kan zich concentreren op datgene waar hij goed in is: het maken van hoogwaardig televisiedrama.

Dit is echter maar het halve verhaal. Omroepen doen in het kader van de programmaverzorging veel meer dan het rechtstreeks verstrekken van produktieopdrachten aan onafhankelijke producenten. Een groot deel van de uit te zenden programma's - series, soaps, films - wordt in het buitenland afgenomen. Voor de uitzendrechten van dergelijke programma's hoeft maar een geringe vergoeding te worden betaald, die ligt tussen de ƒ 5.000,- en ƒ 15.000,- per uur. Bij films variëren de bedragen wat meer afhankelijk van de kwaliteit.

De lage aankoopkosten zijn in de regel een rechtstreeks gevolg van de in de serie of film aanwezige sponsoring en sluikreclame. Zo bleek James Bond plotseling bereid een Philishave-scheerapparaat ter hand te nemen omdat Philips daarvoor flink in de buidel wilde tasten en zo de financiering van de film mede mogelijk maakte. Het zelfde is het geval met soaps die - omen est nomen - worden gefinancierd door fabrikanten van onder andere zeepprodukten. Over dergelijke sponsoring en sluikreclame wordt ook uitgebreid in vakpers bericht. Omroepen die toch deze films en gesponsorde series uitzenden verzaken dus in de opvatting van de Afdeling Rechtspraak hun zorgplicht en handelen in strijd met de Mediawet. Het uitzenden van films en aangekochte series zou derhalve met onmiddellijke ingang moeten worden gestaakt.

Dergelijke - kennelijk multi-interpretabele - regels, die als consequentie met zich meebrengen dat ongeveer de helft van de omroepprogrammering van het scherm moet verdwijnen zijn ongewenst. Omroepen kunnen in een klein land als Nederland niet voor de volledige produktiekosten opdraaien en evenmin kan worden verlangd dat zij maar rechtstreeks moeten gaan contracteren met sponsors van aan te kopen films en series waarbij zij bovendien nauwelijks enige betrokkenheid hebben. De botte bijl waarmee de Afdeling Rechtspraak gehakt heeft door een onbedoelde interpretatie te geven aan een wetsartikel, toont weer aan dat de huidige regels plaats moeten maken voor een meer gewogen en genuanceerd systeem van "checks and balances'. Daarbij kan - binnen een goed functionerend publiek omroepbestel - uiteindelijk best een grotere verantwoordelijkheid worden toegekend aan de omroepen, ook voor wat betreft het accepteren van bepaalde vormen van sponsoring. Op de korte termijn zal echter het Commissariaat voor de Media als toezichthoudende instantie met beleidsregels moeten komen die duidelijkheid scheppen in de onzekerheid die nu is ontstaan.