Net

De lezers van de vorige week zal het niet zijn ontgaan dat hier een dierenvriend aan het woord is. Op een ver eiland. Waar je niet elke dag komt, vanwege de afstand.

Voor ik het vergeet, een half jaar geleden meldde ik u dat de Nieuwzeelandse captain van Air Aruba op de terugtocht naar Schiphol besloot uit te wijken naar Bermuda omdat er een vrouwelijke passagier aan boord was met een acute blindedarm-ontsteking.

Daarop schreef ik dat het zelden of nooit voorkomt dat mensen bijna of helemaal doodgaan aan boord van een vliegtuig en daar kreeg ik een aantal brieven op, o.a. van twee doktoren, een neurochirurg en een internist. Hoewel de een met drie gevallen aankwam, bleken er twee op de grond, dus in de slurf en in de hal moeilijkheden te hebben gehad, in totaal hoorde ik van slechts twee gevallen, waarvan een Fransman die gewoon te veel gegeten had.

Ik schatte dat omwegje naar Bermuda op tachtigduizend gulden en nu hoor ik, van een andere captain, dat de vermeende darmzieke alleen maar te veel gedronken had.

Dat kan nog een aardige claim worden, dacht ik nog, afgezien nog van andere passagiers die aansluitingen misten enzovoort.

Maar dit stukje gaat over dieren, niet over mensen. Maar wel dieren in nood.

Voor ons, in zee, lag een net. In dat net een school witvis, masbangu. Op het net, als in een vijver, dreven pelikanen rond, bruine pelikanen, een mooi soort, oud en jong door elkaar. Ze kunnen de lange bek ver onder water steken, terwijl ze met de vleugels een beetje "helpen'. Vangen ze dan een vis, dan zit die soms dwars in de elastische zak aan de onderste kaak: je ziet 'm spartelen, maar dan jongleert de pelikaan net zolang tot hij de keel inglijdt. Als dat eenmaal lukt maakt hij een paar slagen met de vleugels, komt omhoog, strekt de nek en slikt nog eens flink, voor zover er van slikken sprake is.

Ze zitten op een vismijn, maar de school weet wat hun boven het hoofd hangt als ze te hoog zwemmen, dus die houden zich diep, en wanneer ze dieper dan een meter zwemmen, zit er voor de peli's niets anders op dan opstijgen naar het noorden, laag over zee terug en vaart zetten, dan een halve cirkel tegen de wind in, over je linkerschouder kijken en in een Stuka-duik naar beneden. Eén op de drie keer is raak.

Die duikvluchten worden meestal tegen de avond uitgevoerd. Dan is de vis schijnbaar onoplettender, en zelfs in maanlicht kunnen de pelikanen goed door het heldere water heenkijken. Ze hebben dan ook minder last van de sterntjes en de lachmeeuwen.

Woensdagochtend zag ik maar twee pelikanen boven het net, terwijl ik er op hoogtijdagen wel eens 23 geteld had. Toen ik goed keek zag ik opeens wat er gebeurd was. De twee sliepen niet - pelikanen slapen vaak drijvend, met hun lange snavel recht naar achteren onder hun gevouwen vleugels - ze waren dood. Alleen de vleugels dreven, de lange bek zat diep vast in de mazen van het net. Door de weerhaken konden ze niet loskomen. Paul en ik gingen te water en al trekkend en duwend kregen we de kadavers vrij en duwden ze uit het net zodat ze de zee opdreven, met de stroom, en een of andere grote vis er nog wat aan had.

Tegen de middag kwamen de eerste pelikanen terug. We zagen ze met angst en vreze duiken.

Een dag later was het weer raak. Ik zat gelukkig aan het water te lezen toen ik er eentje zag worstelen. Er was verder niemand thuis, maar omdat ik het al in gedachten gerepeteerd had was ik in een oogwenk in het water en bij het net. Ik moest eerst de pelikaan twee slagen rond draaien, omdat het net om zijn snavel gewikkeld zat, maar omdat hij zijn vleugels zo ver mogelijk uitstak lukte dat. Toen trapte ik met mijn voet in het net en trok mee aan de snavel. Het lukte bij de eerste keer en hij vloog meteen op. Hijgend klom ik de trap op. Vier andere pelikanen bleven nog steeds drijven, zonder op te vliegen, twee broedende (te herkennen aan de kastanjekleurige nek) en twee met grijswitte nekken.

Zo kon het niet langer. Ik zat daar als een soort badmeester op een gevaarlijk strand. Maar wie te waarschuwen? Tamara? Tamara is van het eiland en ook weer niet. Ze is onze hulp en toeverlaat als er iets is, maar of ze hier nu iets aan kon doen betwijfelde ik. Roberto van Marcultura? Roberto doet de schildpadopvang (een maand geleden zijn er twee die vorig jaar uit Nederland gestuurd waren, aangepast verklaard en "uitgezet': ze zwommen keihard zeewaarts) en weet ook van vogels - prof.dr. Vooys noemt hem zelfs in het boek Birds of the Netherlands Antilles. Maar Roberto was er niet, dus we gaven het maar vast door.

's Avonds aten we met z'n drieën op het terras. De zon was al onder maar de wolken waren nog gekleurd. Ik kon vanaf mijn plaats het visnet niet zien. Alleen de zee. Opeens verschenen er wel tien pelikanen tegelijk in de lucht. Er gebeurde kennelijk iets.

Ik liep naar de zeekant en zag weer een vogel in de bekende houding. Paul en ik vlogen het water in. Een jonge vogel zat vast op dezelfde plek, iets dieper. Ook nu duurde het niet lang of hij was los, maar de zwaai waarmee zijn nek omhoog kwam zou ook wel aan de diepte gelegen kunnen hebben. Langzaam dreef hij zeewaarts. We konden niet zien of hij nog bij kennis was.

Op paaszondag kwam de eigenaar van het net de boel eindelijk weghalen, waarschijnlijk gemaand door Marcultura. Er hingen nog even dertien pelikanen rond, die niet begrepen waar de vis ineens gebleven was.

's Avonds kwamen er een stuk of vijf terug, maar ze verdwenen weer.

De zon zakte juist in zee toen ik de zware vleugelslag nog een keer hoorde. Hij daalde op het water, een oude witkop, en keek me ernstig aan. De iris van een pelikaan kan verschillende kleuren hebben afhankelijk van sekse, jaargetijde en ouderdom. Deze waren donkerbruin. De lucht werd nu echt rood.

Even later vloog hij op en wiekte noordwaarts. In het snel minderende licht zag ik nog juist dat hij zich bij een andere pelikaan voegde, gelukkig. Een onzichtbare meeuw lachte waar de zon zonk.

Toen werd het stil en verdwenen ook de twee stipjes.