In de kerk wil zondig Berlijn niet opbloeien

Voorstelling: En op de dansvloer groeide gras, door Haarlems Toneel. Met: Gerrie van der Klei, Hans Radloff en het Haarlems Toneel Koor o.l.v. André Kaart. Regie: Jim Berghout. Gezien: 16/4 in de Doopsgezinde Kerk, Haarlem. Aldaar t/m 7/5.

Het moet dezer dagen in de Doopsgezinde Kerk van Haarlem een beetje lijken op zo'n rommelig en liefst ook decadent café-chantant uit de tekeningen van George Gross. Maar dat is onbegonnen werk. De rode gordijnen ketsen af op de sacraal witte muren, door de gebrandschilderde ramen komt het eerste half uur nog daglicht naar binnen en er mag in de kerk niet eens gerookt worden - geen plek om de zonde te bedrijven, laat staan de zonde van Berlijn in de jaren twintig. En toch is dit de lokatie voor de wonderlijkste produktie die het als repertoiregezelschap bedoelde Haarlems Toneel dit seizoen uitbrengt: een liedjesprogramma met nummers van Hanns Eisler en Kurt Weill, getiteld En op de dansvloer groeide gras.

Die liedjes, op teksten van grootmeesters als Brecht en Tucholsky, worden naar behoren gezongen door twee beroepssolisten en helaas ook door een 59-koppig amateurkoor dat tevens op amateuristische wijze enige edelfiguratie verzorgt. De koorleden spelen dat ze de café-bezoekers zijn. Ze applaudisseren na elk nummer en af en toe doen ze een dansje. Bijvoorbeeld op de striemende, proletarisch getinte Kanonen Song, wat op zijn minst hoogst ongepast mag heten. Ook hun zang geeft soms blijk van onbegrip: het navrante Soldatenweib wordt hier opgevat als een folkloristische beurtzang over Catootje en de botermarkt, terwijl de meeslepende Alabama Song met coloratuur-achtige opsmuk jammerlijk wordt gesmoord.

In deze dilettantische omgeving moeten de solisten alle zeilen bijzetten - en dat doen ze. Gerrie van der Klei is nu eenmaal de ideale vertolkster van dit Weimar-repertoire, met haar scherpe dictie en haar veelkleurige voordracht, terwijl de uit Duitsland afkomstige Hans Radloff niet alleen een expressieve charmezanger is, maar ook een cabareteske troubadour. In hun rokkostuums verlenen zij tenminste nog allure aan de pregnante muziek en aan het protest, de weemoed en de bitterheid in de teksten. Surabaya Johnny, Verfehlte Liebe en Fürchte dich nicht zijn memorabele momenten. Maar te weinig, en zó misplaatst in dat opgepoetste godshuis, tussen die 59 verklede mensen.