HOOGGELEERDE MALVERSATIES

Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap door Frank van Kolfschooten 205 blz., L. J. Veen 1993, f 29,90 ISBN 90 254 0146 5

In zijn korte verhaal De posthoornspion beschrijft Maarten 't Hart hoe in het Leidse laboratorium waar hij werkte ooit een veelbelovende onderzoeker uit Oxford te gast was geweest. En hoe deze, weer teruggekeerd in Oxford, niet de resultaten had gepubliceerd ""van het onderzoek dat hij bij ons had gedaan, maar van het werk dat hij daarna in Oxford had uitgevoerd: een studie van bepaalde aspecten van het plakgedrag van de stekelbaars. Dat onderzoek was een getrouwe herhaling van de experimenten waarover wij hem enthousiast hadden verteld omdat ze iets heel bijzonders aan het licht hadden gebracht, maar waarover wij nog niets hadden gepubliceerd. Zo schrijdt soms de wetenschap via diefstal voort. Hij kreeg de eer van onze ontdekkingen. Wij konden de resultaten van twee jaar werk in een kast opbergen.'

Diefstal van wetenschappelijke resultaten, gepleegd in een Nederlands laboratorium en verwerkt tot Nederlandse letterkunde. De casus komt niet voor in het boek Valse vooruitgang van de journalist Frank van Kolfschooten, dat geheel is gewijd aan het verschijnsel bedrog in de Nederlandse wetenschap. Evenmin overigens als de beschuldiging van ideeënroof, geuit in datzelfde verhaal De posthoornspion, aan het adres van ""een hoogleraar in de Nederlandse letterkunde' - een ""beruchte overschrijver' - die een opstel over Dickens ""doodgemoedereerd' zou hebben overgepend uit het boek The Dickens Theatre van R. Garis. De al dan niet terechte aantijging gold prof. H. A. Gomperts.

Zo circuleren er onder Nederlandse onderzoekers nog veel meer verhalen en geruchten over plagiaat, ideeëndiefstal en onderzoeksfraude die niet in Van Kolfschootens boek zijn terug te vinden. Maar een erg groot bezwaar is dat niet, want Valse vooruitgang is per slot van rekening pas de eerste publikatie waarin wordt getracht het verschijnsel "bedrog in de Nederlandse wetenschap' in kaart te brengen. En het bijeengezochte materiaal was voor zo'n verkenning ruim voldoende.

GEUREN EN KLEUREN

Wetenschappelijke fraude kan zich al heel lang in de belangstelling van het academische publiek verheugen. Zo maakte Charles Babbage, de bedenker van de "Analytical Engine' die de voorloper is van onze digitale computer, al in 1830 een indeling van de verschillende vormen van wetenschappelijke fraude, in zijn boek Reflections on the Decline of Science in England and Some of its Causes. Maar het afgelopen decennium is het debat over wetenschappelijk bedrog wel tot zeer grote hoogten opgelaaid. Zo verscheen in 1982 het boek Betrayers of the Truth van de Amerikaanse journalisten William Broad en Nicholas Wade, waarin deze een groot aantal gevallen de revue lieten passeren ter ondersteuning van hun these dat "pathologische' verschijnselen als corruptie en bedrog een vast onderdeel uitmaken van de wetenschap. En in bladen als Science en Nature verschijnen sindsdien met de regelmaat van de klok onthullingen van nieuwe gevallen en artikelen over mogelijke remedies. Er kwamen geruchtmakende gevallen aan het licht waarbij wetenschappelijke kopstukken waren betrokken als de Amerikaanse Aids-onderzoeker Robert Gallo en de Nobelprijswinnaar David Baltimore. De commotie leidde in de Verenigde Staten tot de oprichting, in 1989, van het Office of Scientific Integrity, dat overigens in 1992 al weer werd ontmanteld en vervangen door het Office of Research Integrity.

Ook in Nederland is de belangstelling voor het onderwerp groot, maar voor de casuïstiek was men tot op heden aangewezen op het buitenland. Niemand nam ooit de moeite om eens zo veel mogelijk gevallen van wetenschappelijke fraude in ons land bijeen te zoeken, en daardoor kon men veilig blijven beweren dat het bij ons zo'n vaart niet loopt.

ZITTENDE HOOGLERAREN

Daarin is nu verandering gekomen met de publikcatie van Valse vooruitgang. Van Kolfschooten toont hierin aan dat de Nederlandse wetenschap voor frauduleuze praktijken niet immuun is en ook nooit is geweest. Reeds Descartes (die een belangrijk deel van zijn carrière in de Nederlanden doorbracht), stal ideeën van een collega (Isaac Beeckman), en bij de recentste voorbeelden van plagiaat die Van Kolfschooten beschrijft zijn nog zittende hoogleraren betrokken.

Hoe achterhaalt men incidenten en geschiedenissen die, voor zover ze ontdekt zijn, meestal in de doofpot zijn gestopt en waarover alle betrokkenen er het liefst het zwijgen toe doen? Van Kolfschooten gebruikte een methode die al eerder (in 1976) door het weekblad New Scientist was beproefd: de enquête. Hij schreef 500 Nederlandse hoogleraren aan, plaatste oproepen in NRC Handelsblad en in vijf universiteitsbladen, schreef de redacties aan van 119 in Nederland uitgegeven wetenschappelijke tijdschriften en benaderde per brief ook nog eens alle 121 universitaire faculteiten.

De oogst bestond uit 69 gevallen van duidelijk bedrog, waaronder 35 gevallen van plagiaat en 14 gevallen van fraude met onderzoeksgegevens. Dat lijkt niet veel voor een tijdvak dat drie eeuwen beslaat, maar daar staat tegenover dat het leeuwedeel van de voorbeelden uit onze eigen eeuw zijn geput en dat de bereidwilligheid om zaken op te rakelen in het piepkleine academische wereldje van Nederland bijzonder gering is. Bij ongeveer een vijfde van de gevallen die van Kolfschooten beschrijft zijn dan ook op verzoek van de tipgevers de namen van zowel de ontmaskeraars als de plagiatoren of fraudeurs gefingeerd.

Plagiaat vormt de hoofdmoot van Valse vooruitgang, maar dat wil niet zeggen dat het in de praktijk meer voorkomt dan geknoei met onderzoeksresultaten. Een aantijging van plagiaat laat zich nu eenmaal veel gemakkelijker onderzoeken en verifiëren dan een gerucht over fraude met gegevens. Eenmaal gepubliceerde teksten zijn gemakkelijk op te sporen en met elkaar te vergelijken, terwijl "ruwe onderzoeksgegevens', voor zover nog aanwezig, slechts in enkelvoud door instituten of privé-personen worden bewaard.

In zijn bespreking van plagiaatgevallen maakt Van Kolfschooten onderscheid tussen "roofdieren' die ook na ontmaskering hun gestolen ideeën nog op een arrogante manier als de hunne blijven verdedigen, en de meer onschuldige of luie "herkauwers' die bij "gebrek aan talent of inspiratie' passages van anderen overpennen. Van beide categorieën geeft hij talrijke voorbeelden.

Naast plagiaten uit de Nederlandse wetenschapsgeschiedenis (Descartes, Blasius, Donders, Colenbrander, Buytendijk) komen gevallen van na de Tweede Wereldoorlog aan de orde, dikwijls geïllustreerd met uitgebreide, twee-aan-twee tegenover elkaar geplaatste tekstvoorbeelden.

TOLERANTIE

Een daarvan betreft de oratie van de hoogleraar psychiatrie prof.dr. H. M. van Praag in 1978, waarvan het betoog geheel en al parallel loopt aan een hoofdstuk uit een boek van de Amerikaanse socioloog Walter R. Gove. De zaak werd destijds in het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid aanhangig gemaakt door de socioloog Paul Schnabel, maar de affaire had voor de verdere carrière van de plagiator geen nadelige gevolgen.

Dat laatste is typerend voor veel van de gevallen die Van Kolfschooten behandelt, ook daar waar het niet om overschrijven gaat maar om eigenhandig geknoei. Het lijkt erop dat de spreekwoordelijke Nederlandse tolerantie ook in de academische betrekkingen duidelijk haar stempel drukt. Geen ophef, geen schandaal en zeker geen publiciteit, zo lijkt het devies. Een vermaning aan de overtreder, zachte drang om ergens anders een baan te zoeken of anders hooguit vervroegde uittreding of eervol ontslag, daarmee is de kous doorgaans af.

Er zit natuurlijk veel sympathieks in die terughoudendheid om vakbroeders openlijk aan de schandpaal te nagelen, zeker wanneer de vergrijpen niet al te ernstig zijn en zich beperken tot incidenten. Maar aan de andere kant leidt ze er wel toe, dat verkeerd gerapporteerd onderzoek soms niet wordt gecorrigeerd of dat de collega-onderzoekers in binnen- en buitenland nooit te horen krijgen dat er met bepaalde resultaten iets aan de hand is.

Valse vooruitgang stipt dit probleem aan en het gaat ook in op de vraag, hoe wetenschappelijk bedrog zich het beste laat voorkomen en bestrijden. Van Kolfschooten bespreekt de ontwikkelingen in de Verenigde Staten en, wat dichterbij, die in Denemarken, waar een Medische Researchraad gedetailleerde procedures heeft uitgewerkt voor onderzoek en arbitrage van aangebrachte gevallen van fraude en plagiaat.

Maar daarin zit hem niet de kracht van het boek. Valse vooruitgang is in de eerste plaats een journalistieke inventarisatie van wetenschappelijk bedrog in Nederland. Meer pretenties wil het ook niet hebben, en het is voor een leesbaar en controversieel resultaat meer dan genoeg. Want de smakelijke en soms uiterst bizarre petites histoires laten zich niet dan met rode oortjes lezen.

De verhalen over het (overigens beroemde) plagiaat van de historicus Colenbrander; over de Amsterdamse medicus Anthonie Stolk, die proefdieren uit zijn duim zoog en na zijn ontmaskering en (eervol) ontslag nog een lange carrière tegemoet kon gaan als schrijvende "ontdekkingsreiziger' (vorige week als voorpublikatie verschenen in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad); over de hersenonderzoeker Jos Schadé, die tijdens de eerste maanlandingen voor de NTS-televisie ""vanuit Houston' (maar in werkelijkheid vanuit Nederland) commentaar doorbelde over de medische toestand van de astronauten; over de chemicus Fritz Kögl uit Utrecht, die al half rekende op een Nobelprijs maar wiens resultaten door een medewerkster waren vervalst, mogelijk als gevolg van een gefrustreerde liefde; het zijn slechts de hoogtepunten uit een boek dat door zijn licht scandaleuze karakter toch al voorbestemd lijkt om een seller te worden in academisch Nederland.