HOE HANDEL TOT BESCHAVING LEIDT

The Astors. The Life and Times of the Astor Dynasty 1763-1992 door Derek Wilson 440 blz., geïll., Weidenfeld and Nicolson 1993, f 65,50 ISBN 0 297 81261 0

Het is, op de achterflap, een tableau de la troupe dat er niet om liegt: een Duitse slagerszoon die een fortuin vergaarde en de rijkste man van Amerika werd, een zwart schaap dat de vloeren van zijn huis belegde met zilveren dollars, de machtigste vrouw van New York die maatschappelijke carrières kon maken en breken, de man die in de adelstand werd verheven, de playboy die hotels bouwde en op de Titanic ten onder ging - en zo gaat het nog een tijdje door, tot en met de derde burggraaf in successie die zijdelings betrokken raakte in het Profumo-schandaal.

""Het is onvermijdelijk,'' schrijft de geschiedkundige publicist Derek Wilson in het voorwoord van The Astors, ""dat een dynastie met geld meer dan het gemiddelde aantal excentrieke figuren voortbrengt, want maatschappelijk aangepast gedrag vloeit doorgaans voort uit economische terughoudendheid.'' Het is alsof hij zich bij voorbaat wil excuseren voor het feit dat het in de door hem beschreven dynastie niet alles goud was wat er blonk.

Het geslacht was van Italiaanse afkomst, maar diverse voorvaderen hadden zich in de zeventiende eeuw, als gevolg van protestantenvervolgingen, in Zwitserland gevestigd. Eén van hen trok verder, naar het Duitse stadje Walldorf, en daar werd op 17 juli 1763 een jongen geboren die Johann Jakob Astor ging heten. Hij moet een ondernemende knaap zijn geweest, want op zijn vijftiende reisde hij naar een inmiddels in Londen gevestigde oudere broer, bij wie hij in de zaak kwam, en op zijn twintigste maakte hij zijn eerste zakenreis naar New York. Al snel ontdekte Johann Jakob (nu John Jacob) zijn roeping. Hij ging in bont.

Binnen enkele jaren legde de stamvader van de Astor-dynastie de grondslag voor een miljoenenbedrijf dat voor een habbekrats de bontvellen opkocht van de Indianen en met fikse winst aan de man bracht op de Amerikaanse en Europese markt. Het was een agressief expanderende onderneming, onder leiding van een man die ieders respect afdwong. ""Hij was van nature extravert en kon aimabel, charmant en vrijgevig zijn. Maar zijn vrijgevigheid was gecalculeerd,'' schrijft Wilson over John Astor die niet in staat was geld uit te geven zonder zorgvuldig te hebben berekend wat hem dat zou opleveren.

MONDAINER

Zelf werd John een aanzienlijk staatsburger met contacten op de hoogste niveaus en de bijbehorende neiging om af en toe te poseren als maecenas: hij schonk de stad New York de eerste openbare bibliotheek uit haar geschiedenis. Toen hij in 1848 stierf, op bijna 85-jarige leeftijd, liet hij een vermogen na van 20 à 30 miljoen (negentiende-eeuwse) dollars - en een reeks nazaten die zich al heel wat mondainer dan de calvinistisch opererende stamvader door de Newyorkse society bewogen. Zijn zoon William was de rijkste man van het land. En de contacten op hoog niveau werden steeds hechter; zo behoorde Franklin Delano Roosevelt tot de aangetrouwde familie.

In die kringen was het ook gebruikelijk lange reizen naar Europa te maken. Europa was de rigueur. Men ging naar Parijs of naar Rome of naar Londen om kunst te zien en dure inkopen te doen waarmee de gasten thuis konden worden geïmponeerd. Men liet zijn kinderen naar Europese scholen gaan. En men trachtte de Europese chic over te plaatsen naar New York.

Het was ten slotte de achterkleinzoon William Waldorf Astor, begiftigd met een vermogen van 170 miljoen dollar, die op dat terrein de meeste dadendrang verspreidde. ""Ik ben blij dat mijn overgrootvader een succesvol handelsman was'', schreef hij in een autobiografisch memorandum, ""want door de eeuwen heen heeft de handel tot Beschaving geleid. Ik ben hem dankbaar dat hij ons heeft opgetild boven de ploegscharen van Baden uit, en ik ben vastbesloten zijn doelstellingen te volgen.''

Twee van William Waldorfs daden staan tot op de dag van vandaag recht overeind. Allereerst zijn initiatief, in 1893, om in New York een hotel te bouwen dat zou kunnen wedijveren met Europese lustoorden als het Grand Hotel in Rome en de Ritz in Parijs. Een hotel was in die dagen naar Amerikaanse begrippen slechts een dak boven het hoofd van de reiziger - en niet, zoals in de Europese beau monde, een gelegenheid waar men uit dineren ging, soirées kon bezoeken of bij exotische drankjes zichzelf bekeek in de spiegels van een grand café. Waldorf Astor liet, op de hoek van Fifth Avenue en 33rd Street, het huis van zijn vader slopen en zette er het glorieuze Waldorf Hotel neer. Een neef volgde zijn voorbeeld en plaatste daar het eveneens glanzende Astoria Hotel naast. Na enkele jaren van haat en nijd besloten de neven tot een fusie. Tussen beide gebouwen werd een conglomeraat van verbindingsgangen aangelegd en ziedaar, in 1887, het Waldorf Astoria Hotel.

William Waldorf Astor was bovendien de man die in 1890 naar Engeland emigreerde. ""Dit land is niet goed genoeg voor Willie old chappie, dus hij is geëmigreerd naar het land van wellust en baccarat'', schreef de croniqueur van een Amerikaanse krant, want de Astors waren celebrities geworden wier doen en laten in de pers nauwlettend werd gevolgd. Waarom het Engeland werd - en niet bijvoorbeeld Frankrijk of Italië - heeft Wilson niet precies kunnen ontdekken. Maar de gevolgen waren van groot belang voor de verdere lotgevallen van de Astor-dynastie.

Waldorf Astor gedroeg zich tot in alle details als een Engelse heer van stand. Zoals het een gentleman betaamde, kocht hij ook een krant. In zijn geval was dat The Observer, de oudste zondagskrant van het land, waarvan één van zijn nazaten in de jaren vijftig nog hoofdredacteur was (en in een uiterst omstreden hoofdartikel in 1956 het Britse beleid in de Suez-crisis veroordeelde). Ook schafte hij zich een landhuis aan, de voorouderlijke woning van Anna Boleyn, zodat het bijna onvermijdelijk was dat hij ten slotte ook een adellijke titel kreeg. Hij werd viscount.

Sinds de Astors via hem in de adelstand werden verheven, in 1917, hebben ze een buitengewoon aanzienlijke rol gespeeld in Britse politieke kringen, zonder ooit werkelijk tot regeringsmacht te zijn geroepen. Verder dan parlementslid kwamen ze niet, maar achter de schermen oefenden ze een grote invloed uit. Zo bracht in de jaren dertig Nancy Astor samen met George Bernard Shaw een bezoek aan Stalin, waarover ze na afloop vanzelfsprekend het Britse kabinet inlichtte. Toen de Russische heerser haar vroeg hoe ze het succes van het Britse imperialisme verklaarde, antwoordde ze naar eigen zeggen: ""Toen het Engelse volk de bijbel vertaalde in gewone omgangstaal, werd het daardoor een ongewoon volk, want het leerde van gerechtigheid en erbarmen.'' Al binnen één generatie was een Astor-telg dus overtuigd van de absolute superioriteit van de Engelse beschaving.

OSM

De kring van vrienden en kennissen was dermate machtig, dat in de buitenwereld vermoedens rezen over sinistere complotten die ten huize van de Astors zouden worden gesmeed. De naar het huis van hun gastheren genoemde Cliveden Set werd in de arbeideristische pers zelfs van nazi-sympathieën beschuldigd. En inderdaad bevonden zich in het gezelschap van politici, filosofen, hoogleraren, kunstenaars en edellieden diverse dames en heren, die hoopten het met Hitler op een akkoordje te kunnen gooien. Derek Wilson getroost zich veel moeite om duidelijk te maken dat de gedachte aan een akkoord met de nazi's leefde in brede lagen van de Conservatieve partij. ""Het doel van onze bijeenkomsten'', schreef Nancy Astor overigens, ""is dat we mensen van allerlei slag de kans willen geven elkaars ideeën te horen''. Maar het is geen wonder dat zo'n uitwisseling van gedachten tussen lieden van standing de achterdocht oproept van anderen die er niet alleen maar een vrijblijvend discours in zien - daar kan de Bilderberg-groep van meepraten.

Na de oorlog werd de politieke invloed van de Astors gaandeweg kleiner, in Engeland en ook in Amerika waar de andere takken vban het geslacht waren gebleven. De maatschappij veranderde en tastte de positie van Ons Soort Mensen danig aan. In de jaren zestig waren rijkdom en aanzien niet uitsluitend meer voorbehouden aan de hogere kringen, concludeert Wilson met enige spijt: ""Het bezit van een oude naam en een smetteloze stamboom betekende minder nu er nieuwere, van meer glamour voorziene wegen naar roem en rijkdom ontstonden - televisie, sport, popmuziek en zaken doen.''

The Astors gaat dan ook enigszins als een nachtkaars uit. Er zijn er nog tientallen die de omineuze naam dragen, maar geen is blijkbaar meer opvallend genoeg om nog in de schaduw van Johann Jakob Astor te kunnen staan. Het zijn gewone mensen geworden met gewone banen, weliswaar in een zekere welstand geboren maar allang niet meer puissant rijk. En over zulke mensen worden zelden boeken geschreven.