GESCHIEDENIS

Degenen die in deze krant de pen hanteerden over het vak Geschiedenis en staatsinrichting in de basisvorming hebben naar mijn idee lang geleden of nog nooit een klaslokaal met dertig of meer LBO-leerlingen gezien.

Wat moet je kinderen die het Lager Beroeps Onderwijs volgen leren als het gaat om geschiedenis en staatsinrichting? Waar hebben die kinderen iets aan als ze straks als burger deelnemen in de ingewikkelde Nederlandse maatschappij? “De algemene doelstelling van het onderwijs in geschiedenis en staatsinrichting is gericht op het leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling van de bekwaamheid van leerlingen om hun plaats en toekomstige positie in de samenleving nader te bepalen en aan de staatsburgerlijke of politieke vorming van de leerlingen”. Uit Handboek Basisvorming augustus 1990. Uit dit basisidee wordt het vak gegeven. De nadere inkleding van het vak moet aan dit idee voldoen, dus elk kerndoel kan getoetst worden aan deze doelstelling.

De basisvorming voor het vak geschiedenis en staatsinrichting is een stap in de goede richting. De leerlingen leren meer vaardigheden beheersen. Daarnaast biedt het vak nog te veel overbodige ballast voor kinderen in het LBO-gebied. En dat is wat menig hoogleraar over het hoofd ziet. Die heeft in zijn gedachten een kleine klas vol geïnteresseerde leerlingen die een heel lesuur geconcentreerd kunnen luisteren en dat kunnen LBO-leerlingen niet. Hun concentratieboog is kort. Probeer die tijd nuttig te gebruiken en de rest van het uur kunnen de leerlingen met behulp van lesmateriaal de in de basisvorming opgeschreven vaardigheden gaan oefenen. Daar hebben ze misschien nog iets aan als ze 18 zijn.

Het vak geschiedenis en staatsinrichting moet de leerlingen vooral laten zien in welke maatschappij ze opgroeien. Hoe kan het dat de maatschappij van vandaag de dag zo is? Ook moet je de kinderen laten zien in welke tijd hun ouders en hun grootouders zijn opgegroeid. Dat is nuttig voor LBO-leerlingen, daar kunnen ze hun voordeel mee doen.