Een goeie haas draagt water, pakt sponzen en loopt constant

ROTTERDAM, 17 APRIL. Tonnie Dirks geeft morgen vanaf kilometer vijftien tot één-en-twintig van de Marathon van Rotterdam het tempo aan voor de Zuid-Afrikaan Willie Mtolo. Dirks loopt dan zes kilometer lang een drie-nul-nul, een drie-nul-één of - als het weer tegen zit - een drie-nul-vijf. Per kilometer een tijd van 3.00 tot 3.05 minuut.

Aart Stigter loopt daarachter, iets langzamer. Met kilometers van 3.05 neemt hij Bert van Vlaanderen op sleeptouw. Dirks en Stigter, twee nationale topatleten, stellen zich morgen in dienst van anderen. Zij zijn "haas', al gebruiken ze zelf liever het woord "tempomaker'. Als hun taak er op zit stappen ze uit de wedstrijd in de bezemwagen.

De marathon van Rotterdam heeft één troef ten opzichte van de "grote' marathons in New York, Boston, Londen en Berlijn. In Rotterdam is in 1988 het wereldrecord van 2 uur 06 minuten en 50 seconden neergezet door de Ethiopiër Densimo. Ook de tweede en derde tijd van de ranglijst aller tijden komen uit Rotterdam. De mogelijkheid om in Rotterdam een opvallend persoonlijk record te lopen, compenseert voor veel atleten een relatief minder hoge finaciële beloning dan Boston of Londen zou bieden. Op een snelle tijd in Nederland volgen voor een talent vanzelf de uitnodigingen voor lucratieve marathons.

Een snelle marathon moet in minder dan 2 uur en 10 minuten, een succesvolle in Rotterdam in minder dan 2 uur en 8 minuten. Dat is niet zo eenvoudig. Vorig jaar slaagden slechts tien atleten er in die tijd neer te zetten, waaronder de nummer één en twee in Rotterdam. Dit seizoen pas één atleet, in totaal pas 148 keer door 72 verschillende atleten. Een snelle tijd is afhankelijk van een snel parkoers (vlak, niet te bochtig en redelijk beschermd tegen de wind), een goede organisatie, een sterk deelnemersveld, gunstig weer (niet te warm, niet te vochtig) en van een aantal goede hazen.

Hazen doen voor een groepje marathonlopers wat de knechten van een wielerploeg doen voor hun kopmannen. Ze vangen de wind op en het zijn letterlijk waterdragers. Bij de bevoorradingspunten nemen zij de bidons met water en de natte sponzen aan en zorgen ze dat iedereen in de groep daar gebruik van kan maken.

Maar ze doen meer. Ze lopen vooral een constant tempo, ze hebben tempogevoel, ze lopen regelmatig. Ze nemen het vermoeiende nadenken over van de klassementslopers. Tempomaker Aart Stigter - die zelf al twee keer de derde Nederlander was in Rotterdam - begeleidt dit keer tot ongeveer kilometer 25 Bert van Vlaanderen, clubgenoot en kanshebber op de Nederlandse titel. Hij loopt niet zijn "natuurlijke' tempo, maar het tempo dat Van Vlaanderen lekker vindt. Vanaf de start is het juiste ritme belangrijk, vertelt Stigter. “In het begin ben je nog fit, loop je makkelijk. Dan moet je zorgen niet te snel van start te gaan. Bovendien word je in grote wedstrijden zoals Rotterdam afgeleid door veel "ruis'. Publiek, drukte, motoren met politie en camera's kunnen je concentratie verstoren. Iedere seconde die je in het begin te hard gaat, betaal je in het tweede gedeelte dubbel terug.” De tempomakers kunnen zich in het begin, bij kilometer één, twee en drie richten op een klok langs de baan. “Dan kan je meteen bijstellen. 3.00 is te snel, dan moet je geleidelijk langzamer lopen. 3.10 is te traag.” Daarna is er om de vijf kilimeter een meetpunt.

Vanavond bepalen de atleten in overleg met hun coaches hoe hard ze morgen willen gaan. Dat hangt van de vorm en van het weer af. Morgen vertrekken er drie groepen hazen voor de mannen, gericht op drie verschillende eindtijden, en twee hazen voor de vrouwen (voor Anne van Schuppen en Wilma van Onna). Bij ideale omstandigheden mikt het kwartet Henk Gommer, Tonnie Dirks, Vincent Rousseau (België) en Jacob Ngunzu (Kenia) halverwege de 42 kilometer en 195 meter op een tijd van 1.03.45. Daarna is alles - een wereldrecord met een bonus van 100.000 dollar - nog mogelijk. Een tweede groep (met Stigter en Van Vlaanderen) gaat uit van een eindtijd van 2.10, en dus een tussentijd van 1.05. Een derde groep zal proberen 1.06 te lopen, de basis voor een hele marathon in 2.12.

De snelsten moeten het 28-jarige Zuid-Afrikaanse talent Willie Mtolo naar grote hoogten stuwen. In Enschede en New York (die hij beide won) had Mtolo één haas, dit keer vier. “Erg prettig voor hem. Net Kerstmis”, zegt Mtolo's manager Ray de Vries. “De eerste twintig kilometer kan je daardoor lekker warm worden, in je ritme komen.” Gommer doet voor de groep-Mtolo de eerste vijftien kilometer, Dirks de volgende zes, Rousseau neemt het voortouw tot kilometer 25 en Ngunzu moet kijken of hij nog tot kilometer 30 zal kunnen overnemen. Daarna is Mtolo overgeleverd aan zichzelf en aan zijn concurrenten voor de eindzege.

Manager Jos Hermens is verantwoordelijk voor het deelnemersveld in Rotterdam. Hij koos ook de vier hazen voor de kopgroep. “Vooral Dirks en Stigter zijn perfecte tempomakers. Zij zijn heel ervaren, kunnen heel constant lopen. Afrikanen hebben nog wel eens de neiging te hard te gaan. Ngunzu moet ook de eerste 25 kilometer achterin de groep zitten en daarna pas de kop overnemen.”

“Vorig jaar ging het minder goed. Toen was er een grote groep Mexicanen, zowel kanshebbers als hazen. Maar achteraf bleek dat er onderling nogal wat rivaliteit was, ze liepen voor verschillende trainers. Sommigen zijn misschien wel te hard van start gegaan om anderen op te blazen.”

Hermens bestrijdt dat hij met al die hazen de hele race "regisseert'. “Er woedt een discussie over het gebruik van hazen. Een echte wedstrijd zou mooier zijn, dan jagen op mooie tijden. Maar het is maar waar je voor kiest. Op de baan ziet het gebruik van een haas er vaak geforceerd uit. Maar bij de marathon is het te verdedigen, vind ik. De marathon van Rotterdam heeft de trend gezet. Wij deden het als eerste, doen het al dertien jaar. Maar je hebt een race nooit echt onder contrôle. Je kan wel zeggen: doe iets rustiger, maar de atleten maken het zelf uit. Zij bepalen zaterdagavond in besprekingen met de hazen hoe hard ze willen lopen. En tijdens de wedstrijd stellen ze dat eventueel bij.”

In New York hield de organisatie het tempo in de eerste 25 kilometer hoog door een premie uit te loven voor de "first on first', de eerste die de 1st Avenue opdraaide. Maar daardoor kon het tempo ook te hoog komen, iemand die alleen voor de premie loopt. “Als je hazen hebt moet je het goed doen”, zegt Hermens. “In New York en in Berlijn hadden ze er de laatste keer eentje. In Berlijn liep die twee meter voor de groep. Daar heb je niet zoveel aan. Wij moeten ook wel meer doen, want we hebben geen twintig internationale lopers. We beschikken over minder luxe.”

Atleten worden gesponsord door schoenen en kledingfabrikanten. De marathon van Rotterdam wordt gesponsord door Nike, een aantal atleten ook. Toch zullen die niet met elkaar samenwerken. Er is, anders dan bij het wielrennen of marathonschaatsen, geen sprake van een ploegensysteem. “Bij schaatsen en wielrennen is de snelheid veel hoger”, legt Hermens uit. “Dus is de luchtweerstand belangrijker, heb je meer steun aan een knecht die wind vangt. Een marathon is ook wezenlijk anders dan een wielerwedstrijd. Daar kan je tot 250 kilometer van alles doen, wegrijden, weer terug gehaald worden, het doet er niet toe wat. Maar bij een marathon ben je na 25, maximaal 30 kilometer alleen. Dan kan je niet meer even je benen stilhouden, je verstoppen.”