Boudewijn Büch; Ik leef in een voortdurende angst voor verlating

Boudewijn Büch (44) is een omstreden fenomeen in de wereld van de literatuur en de media. Zijn boeken en tv-programma's zijn zeer populair, maar hij voelt zich verguisd door de kritiek. Vervreemd van zijn vrienden leidt hij een geïsoleerd bestaan in een museumachtig grachtenpand. "Ik kom bijna niet meer de deur uit, ik wil alleen nog maar naar Schiphol.'

Als dit artikel verschijnt, is hij alweer op reis. Naar de Falklands en Paraguay. Boudewijn Büch is meestal op reis. Minstens zeven maanden per jaar, schat hij. Als hij niet voor de VARA hoeft te reizen - in totaal zo'n zes maanden - maakt hij soms snel een privé-reisje.

""Cees Nooteboom zei laatst tegen me: "Je reist tegenwoordig wel veel.' Maar het gekke is dat ik dat al vijftien jaar doe. Ik heb het jarenlang voor de VPRO-radio gedaan, maar dan heeft niemand het in de gaten. Pas als je op de tv komt, valt het op.''

Waarom wil je steeds weg?

""Er is een innerlijk ikje dat mij dwingt. Als ik hier ben, word ik onrustig. Als ik daar ben, in een of ander heet land, vraag ik me af waarom ik zo moet lijden.

""Ik heb het altijd gehad. Vroeger ging ik op de fiets naar de Ardennen, toen met de bromfiets naar Trier en daarna per scooter naar Spanje. Het eerste wat ik als kind verzamelde, waren atlasjes. Sommige gebieden waren daarin slecht ingevuld en dan dacht ik: daar wil ik heen. Ik heb ook altijd een enorme hang gehad naar eilanden.

""Het heeft te maken met melancholie, maar ook met weetgierigheid - dat zijn bij alles mijn grootste drijfveren. Melancholie naar de tijd waarin iemand als Columbus zijn reizen maakte. Hoe zag hij de Bahama's voor het eerst? Ik zal geen land verlaten zonder de nationale encyclopedie te kopen. Ik wil weten of het klopt wat er in de atlassen en reisboeken staat. Ik vertrouw geen reisschrijver meer, er wordt ongelofelijk veel afgelogen.''

Reis je wel eens puur voor je plezier?

""Ik wou dat ik het kon. Ik doe nooit wat voor de lol. Ik heb steeds het idee dat ik iets moet bewijzen. Door een mooi boek, artikel of programma te maken. Als mensen op straat roepen: "Nou, lul, het was weer niks', ben ik een week in een depressie. Dan denk ik: ik zal ze krijgen. Slechte kritieken drijven me steeds verder voort, ook letterlijk, in afstand.

""Ik zal en ik moet bewijzen dat ik meer weet. Het is allemaal geldingsdrang. Alleen, het geeft je geen rust. Je moet niet denken dat ik 's avonds met de ploeg fluitend in het hotel zit. Vaak lig ik in die onmogelijke boeken te beuken om te kijken wat we nog meer in het programma kunnen stoppen. We komen altijd met tien keer te veel materiaal bij de VARA terug.''

Ga je ook weg omdat Nederland je benauwt?

""Dat is het niet. Het klinkt pathetisch, maar ik vind Nederland het allerbeste land ter wereld. Ik ken geen land dat zó vrij is. Dat leer je wel als je veel reist. In driekwart van de wereld word je gearresteerd als je een camera en geluidsapparatuur uit je tas haalt. Om te draaien moet je bijna overal vergunning vragen.

""Het is vaak een kwestie van eindeloos onderhandelen. Het wordt ook steeds duurder, want de halve wereld is corrupt. Naar de Galapagos-eilanden ga ik nooit meer, het heeft ons daar duizenden guldens aan steekpenningen gekost. Het ministerie van landbouw van Ecuador waar de Galapagos onder vallen, was de grootste bedrieger.''

Hij ontvangt me in zijn riante grachtenpand, smaakvol gevuld met empire-meubels en tienduizenden boeken. Als je aanbelt, kun je kiezen: Boudewijn Büch of Bibliotheek Büch. Bibliofielen kunnen zich verlustigen aan planken vol Goethe, Rimbaud, Bordewijk, Reve, Hanlo, Achterberg, De Mérode. Veel eerste drukken en zeldzame reisboeken.

Hij ziet er, zoals gebruikelijk, bedonderd uit: donkere plekken onder zijn vermoeide ogen. ""Ik ben helemaal kapot. Voor de maanden dat ik weg ben, moet ik al mijn rubrieken en columns van te voren maken.''

Zijn nieuwste roman, Het bedrog, stijgt gestaag op de bestsellerslijst. Als ik hem spreek, zijn de eerste recensies nog niet verschenen. Ze zullen vernietigend zijn, maar dat zal hem niet verbazen. Wat betreft de Nederlandse literaire kritiek heeft hij alle hoop opgegeven. ""Ik wil het allang niet meer lezen'', zegt hij berustend. ""Als ik op een voorpagina een recensie van mijn boek zie aangekondigd, scheur ik de pagina er blind uit. Je moet eens weten hoe fnuikend het voor me is als ik toevallig één regel lees. Het brengt me maanden in verwarring. Prijzende kritieken? Dat is nòg erger. Als Hans Warren gunstig over mij schrijft, zeggen de mensen: daar heb je zeker mee in bed gelegen. Alsof mijn voorkeur naar 70-jarige heren uitgaat.'' Cynisch: ""Dus daarmee is die goede kritiek ook weer ongeldig verklaard.''

""Ik ken iedereen in het literaire wereldje en ik weet dus hoe het werkt. Als je niet in de cercle zit en je hebt geen recenserende vrienden, dan sta je er slecht voor. Je ziet mij niet op feestjes komen en slijmen met recensenten. Ik heb ze allemaal een keer beledigd. Ook Tom van Deel, die vervolgens op straat naar me riep: "Ik bespreek jou nooit meer in Trouw'. Nou, dat zal in de verkoop minstens twee exemplaren schelen. Dat is de literaire kritiek in Nederland: haat en nijd. Er zijn mensen die ik vijftien jaar geleden in Hollands Diep heb beledigd en nog steeds bij kranten een boek van me opvragen om het als recensent te vernietigen. Neem nu eens De kleine blonde dood: dat boek is desastreus besproken.''

Dit klinkt als de typische auteursparanoia. Ik heb het nagekeken. Er is gunstig geschreven over je eerste poëzie door Van Dis, Van Toorn en eh... Warren. Komrij heeft je opgenomen in zijn bloemlezing. Hans Vervoort schreef in NRC Handelsblad heel welwillend over "De kleine blonde dood'.

""Ik weet niet op welk stuk je doelt, maar Carel Peeters schreef in Vrij Nederland een stuk waarin hij me op een inconsequentie meende te kunnen betrappen. Ik zei: je hebt het boek niet goed gelezen. Hij leest het na en zegt: Jezus, je hebt gelijk. Ik heb een rectificatie geëist en toen die niet kwam, heb ik mijn medewerking aan Vrij Nederland voor het leven opgezegd.

""Maar het kan best waar zijn wat je zegt: dat ik me alleen het ongunstigste herinner. Misschien is het ziekelijk, misschien ben ik wel niet goed bij mijn hoofd. Ik heb een gevoel van algehele miskenning. Ook al zijn er weinig schrijvers die de afgelopen tien jaar constant zó goed hebben verkocht als ik.

""Ik wil niet meer bij die literaire wereld horen. Het is een enge, kleinsteedse wereld die van roddel en drank aan elkaar hangt. Ik heb bijna al mijn Nederlandse literatuur de deur uitgedaan. Van der Heijden, dat is absolute topklasse, maar Zwagerman, Palmen, het is allemaal hype. En kijk eens hoe Nooteboom wordt afgezeken, terwijl hij zoveel succes heeft in Duitsland.''

Nooteboom krijgt nog steeds de prachtigste kritieken.

""Niet altijd. Het gaat om dat ene regeltje dat mis is. In Nederland moet er altijd iets zuurs aan worden toegevoegd. Maar wat mijzelf betreft had ik het kunnen weten. Succes op de televisie is dodelijk voor een schrijverschap. Er is maar één uitzondering en dat is Van Dis. En uiteindelijk heeft ook hij problemen gekregen. Toen zijn affaire losbarstte, heb ik hem onmiddellijk uit Amerika gefaxt: "Het succes heeft te lang geduurd'. Er moest straf komen.''

De sleutelzin uit "Het bedrog': ""Twee keer vaderloos - dat is te veel.'' Het boek gaat over een definitieve breuk in een jarenlange vriendschap. Voor de ik-figuur, Olof Bergman, was de vriend de plaatsvervanger geworden van de overleden vader.

""Het centrale idee van mijn werk is de vader-zoonrelatie'', zegt hij. ""Het is het enige dat mij ook bij andere mensen interesseert. Als Freud nog geleefd had, zou hij mij hebben ingehuurd als model. Daarom vonden de Freudiaanse psychiaters mij ook zo'n leuk geval.''

Maar ze konden je niet helpen?

""Jarenlang heb ik bij die lui gezeten. Maar aan een goeie vriend heb je meer. Ik denk dat ik inmiddels precies weet wat er met me aan de hand is. Sedert mijn vader is weggegaan, voel ik me altijd en overal door iedereen in de steek gelaten. Daar zal mijn probleem met de kritiek ook wel mee te maken hebben. Een relatie met mij maakt weinig kans, want als iemand binnenkomt denk ik al: je gaat toch weer weg. Ik leef in een voortdurende angst voor verlating. Ik heb dat opgelost - en daarom gaat het nu ook een stuk beter met me - door een museum om me heen te bouwen. Ik ben nu suppoost en heb een relatie met mijn spulletjes.''

Een substituut voor een menselijke relatie?

""Volstrekt. Er wordt nu weer een hele bibliotheek bij gebouwd. In relationele zin heb ik geen enkele hoop of ambitie meer. Verliefdheden permitteer ik me niet meer, die kunnen alleen maar tot vreselijke teleurstellingen leiden. De klap van het bedrog komt keihard aan. Ik ben als de dood voor emoties geworden.

""Welke relatie ik ook heb gehad, ik heb het nooit zelf uitgemaakt. Men verdwijnt altijd bij mij. Ik kan er nooit een einde aan maken. Ook als de relatie emotioneel niets meer voorstelt, heb ik liever dat de ander blijft. Als ik maar niet in de steek gelaten wordt - daar gaat het om. Mensen die bij mij weggingen, waren totaal verbijsterd dat ik het niet had zien aankomen.

""Iedere keer als er iemand wegging, was dat een reproduktie van mijn vader die mij in de steek liet. Een heel gezelschap van vrienden is mij de afgelopen jaren ontvallen. Ik heb even gedacht: dit kom ik niet meer te boven. Ik heb ervan geleerd dat ik nooit meer nieuwe vriendschappen moet sluiten. Soms kom ik iemand tegen waarvan ik denk: zou hij mijn vader willen worden? Ik heb dat met de arts Dunning gehad, nadat ik hem geïnterviewd had. Tja, dan ben je wel aardig op weg naar de gekte.''

Legden ze uit waarom ze weggingen?

""Mij is nog nooit wat uitgelegd. Ik zit ook nog steeds te wachten op de uitleg van mijn vader - maar die zal ik dus nooit horen. Hij is nu achttien jaar dood. Daarom ben ik die uitleg gaan zoeken in romanvorm; dat is mijn grootste project.''

Mij is uit je boeken en interviews nooit helemaal duidelijk geworden wat jouw vader tot zo'n gekweld mens maakte. Een oorlogstrauma?

""Nee, dat is niet het probleem. Na de oorlog begon voor hem pas de oorlog. Ik ben er inderdaad altijd buitengewoon onduidelijk over geweest. Ik ben daar nog niet aan toe. Het echte vaderverhaal heb ik nog niet geschreven. Vergeet niet: ik ken mijn vader niet, het is een goede vriend waarvan ik niks weet. Ik heb hem tot mijn tiende meegemaakt. Ik heb nooit een volwassen gesprek met hem gevoerd. Later, in 1975, heb ik hem nog één keer ontmoet. Dat heb ik bijna letterlijk in De kleine blonde dood beschreven, mijn meest autobiografische boek. Hij was toen een oude man, er was niets meer van enige vertrouwdheid.''

Je hebt vaak gesuggereerd dat er een incestueuze relatie was tussen je vader en jou, reden waarom jullie uit elkaar werden gehaald.

""Ik zou het niet incestueus willen noemen. De woorden "incest' en "pedofilie' hebben nu zo'n enorme geladenheid. Ik heb nooit begrepen wat er fout aan was. Tot op de dag van vandaag kan ik mijn vader heel wat verwijten - behalve dat. De mensen vonden in de jaren vijftig dat het niet mocht, maar ik heb het nooit vreselijk gevonden. Zij hebben mij mijn beste vriend afgenomen.

""Ik heb maar één geïsoleerde ervaring in mijn leven gehad waarvan ik denk: dit is goed. Daarna is het allemaal misgegaan. Als ik een wrak ben, dan is dat in emotioneel opzicht. Het is een wonder dat ik het tot mijn 44ste heb volgehouden. De scheiding van mijn ouders heb ik als de grootste ramp uit mijn leven ervaren. Ik heb er buitengewoon onder geleden en ik begrijp dan ook niet dat men daar tegenwoordig zo gemakkelijk over spreekt. Na 1958 bestond er bij ons geen familie meer, we woonden op onszelf, ook in dat huis in Wassenaar. Met mijn moeder heb ik nooit veel gehad, ik zie haar ook niet meer.

""In mijn romans ben ik al twaalf jaar bezig dat ene moment van intimiteit met mijn vader te reconstrueren. Althans, in de roman is het één moment, in werkelijkheid waren het vele momenten. Het was geen seks, het was een onvoorstelbare spanning waardoor ik dacht: nu ben ik in het paradijs. Mijn laatste grote geluksmoment is in 1958 geweest. Daarna heb ik een tik gekregen waardoor al mijn relaties tot mislukken zijn gedoemd. Ik heb in alle vormen van relaties seks gevonden. Leuk, lekker, maar verder niks. De doelloosheid van de jaren zestig en zeventig. Wat waren dat erge jaren! Natuurlijk, iedereen mag zich suf neuken van mij, maar ik zie er niets in, niets.''

"Het bedrog' gaat over die jaren. Het is een moralistisch boek: je keurt de erotomanie van je vriend af. Het gerucht gaat dat het een afrekening is met één bepaalde vriend.

""Het boek is één grote aanklacht tegen de overschatting van de seks in die jaren. Ik kan me herinneren dat we soms een jaar lang alleen over neuken praatten. Iedereen deed dat. Altijd maar de wijven achterna, althans in dit boek. In Links! zijn het voor mij ook de jongens. Mijn nieuwe boek is zeker geen afrekening met één bepaalde vriend, maar met een hele generatie, mezelf incluis. Van een heleboel vrienden heb ik er in mijn roman één gemaakt.''

Je schetst jezelf als een eenzaam mens, maar waarom zeg je niets over je relatie met Pauline, je producente, die je overal vergezelt?

""Dat is een onvolledige relatie. Niemand dringt meer echt tot mij door. Maar zij zeikt niet, zij probeert me niet naar de bioscoop, het café of haar vrienden te krijgen. We leven ieder in onze eigen wereld. Pauline heeft daar vrede mee, dat maakt haar ook zo groot. Ik kom bijna niet meer de deur uit, ik wil alleen nog maar naar Schiphol. Als ik buiten kom, heb ik de kans dat bekenden me aanschieten en mijn hele dagorde overhoop halen. Ik moet de regie in handen blijven houden. Ik overweeg ook om buiten Nederland te gaan wonen, al zal ik dit huis wel aanhouden. Ik voel me hier zó eenzaam, dat ik beter mijn eenzaamheid kan formaliseren.

""Bij een volledige relatie hoort seks. Ik twijfel aan mijn seksuele identiteit. Ik dacht vroeger: vrouwen? - het moeten mannen zijn. Maar mannen... als ik erover nadenk, vind ik het ook niks. Ik voel meer bij mannen, maar ik heb me ervoor afgesloten. Pedofilie? Wil ik ook niet, ik wil niks meer. Je kan je leven er zo ontzettend door laten verpieteren. Ik knip nog liever mijn pik af.''

We praten over zijn vertrek naar uitgeverij Atlas. Met slaande deuren verliet hij, met een aantal andere auteurs, enkele jaren geleden De Arbeiderspers.

Jij laat dus ook wel eens iemand in de steek: Sontrop en Ros, de directeuren, waren goede relaties van je.

""Ik heb ze in de jaren zeventig leren kennen. Sontrop is een heel charmant, gemeen gekkie - ik hou echt van hem. Met Ros heb ik nooit goed contact gehad, ik heb hem nooit serieus genomen. Het waren toen andere uitgeeftijden. Ik bracht ze een boek en dan zeiden ze: prachtig, of niet. Toen kwam Emile Brugman als redacteur. Als ik nog één vriend heb, is hij het. Zonder hem had ik nooit meer een boek geschreven. Ik ga met die jongen elk jaar een paar keer op mijn kosten naar een obscuur land om eindeloos een boek door te spreken. Dagenlang praten we over de ruwe versie. Frank Carmiggelt is ook zo'n adviseur van me. Ik heb tegen De Arbeiderspers gezegd: "Als jullie Emile wegdoen, ben ik uitgeschreven.'

""Ik heb destijds bij De Arbeiderspers mijn boek De kleine blonde dood ingeleverd. Sontrop en Ros hebben het twee jaar geweigerd. Toen kwam Emile en die zei: "Dit wordt een van de grootste bestsellers die De Arbeiderspers ooit heeft gehad'. Ik heb het toen helemaal herschreven. Het wèrd een bestseller. Nou, dan ben je een grote uitgever. Maar Sontrop zei: "Die man wordt hier geen directeur'. Het is nu eenmaal pijnlijk om iemand te ontdekken die je later overtreft. Het was gewoon haat - en dat terwijl Sontrop toch snel zou weggaan als directeur.

""Ik vind het dramatisch dat Sontrop in zijn nadagen zó ver - tot en met de vernietiging van De Arbeiderspers - wil gaan. Het was de beste literaire uitgeverij van Nederland met een unieke sfeer. Het is een ramp wat er nu gebeurt. Er zullen nog meer gevestigde auteurs weggaan. Ik denk dat ook Cees Nooteboom niet meer met een nieuw boek bij ze zal komen. Nee, ze hebben niet geprobeerd me terug te halen. Sontrop zei in de krant dat alleen de B-auteurs weggingen. En kijk nu eens hoe Brugman het bij Atlas doet: er zitten steeds boeken van hem bij de top-10.

""Het is tussen De Arbeiderspers en mij nu zelfs een zaak van advocaten geworden. Ze stelen, ze halen onwettig geld van mijn rekening. Het is een schande. Als ik terug ben, zal mijn advocaat stappen laten nemen.''

(Ronald Dietz, de nieuwe directeur van De Arbeiderspers, wijst deze beschuldiging van de hand. ""Büch heeft in 1988 van ons een voorschot van 5.000 gulden gekregen voor het boek "Boekenwoordenboek'. Zo'n voorschot is niet terugvorderbaar als het boek geen succes wordt. Maar Büch heeft het manuscript nooit ingeleverd. In elk standaardcontract, ook in het zijne, staat dat hij daartoe verplicht is. Normaal wordt zoiets in der minne geschikt tussen uitgever en schrijver, maar toen hij ons in de steek liet, wilde ik dat geld terughebben. Ik heb zijn contract voor ontbonden verklaard en op zijn royalty-uitkering over 1991 5.000 gulden ingehouden. Nu eist hij van ons 5 mille plus 500 gulden rente. Laat hem maar komen met zijn advocaat. Hij heeft geen poot om op te staan.'')

Gerrit Komrij is ook erg boos op je geworden. Hij schreef in zijn column dat je al zijn boeken-met-opdracht had verkwanseld.

""We zijn nog steeds bevriend. Gerrit heeft toen een vreselijke vergissing gemaakt. Ik heb één boek-met-opdracht van hem verkocht. Meer boeken heb ik nooit van hem gekregen, want Gerrit is buitengewoon schrieperig. Al die andere boeken had ik gewoon gekocht. Op een gegeven moment werden al mijn brieven aan Gerrit aangeboden op de markt. Toen dacht ik: dan kunnen de boeken van Komrij ook wel weg. Achteraf begrijp ik dat Gerrit mijn brieven niet zelf heeft aangeboden. Het heeft met de familiestructuur van Charles Hofman, zijn vriend, te maken - daar komt het vandaan.''

Ik heb gesproken met een aantal van je vrienden en je ex-vrienden. Ze zeggen dat je het aan jezelf te wijten hebt dat je in de steek wordt gelaten. Wat me erg opviel: ze vinden je onbetrouwbaar, ze geloven je niet meer.

""Dat vind ik best.''

Ze zeggen dat je een mythe van je leven maakt. Vrijwel niets zou waar zijn van je beweringen over je "dode zoontje', over je ouders, over de inrichting waarin je als kind zou zijn geweest.

""Natuurlijk fabuleer ik in mijn boeken. Dat kun je een auteur toch niet verwijten?''

Daar gaat het mij niet om. Je vrienden zeggen dat je ook fabuleert in gesprekken met hen en in interviews.

""Ik kan er niks aan doen, ik weet niet wat ik daarmee aanmoet. Wat raad je me aan?''

Je zou het kunnen weerleggen. Als je inderdaad een kind hebt gehad, moet je dat kunnen aantonen.

""In een openbare verklaring met een geboortewijs of zo? Ik kijk wel uit. Ik voel me niet geroepen dat te doen. Dan vinden ze het maar fictie.''

Je hebt inderdaad een kind gehad dat is overleden?

""Ja.''

Zoals je het beschrijft in "De kleine blonde dood'?

""Ja...maar ik vind het niet erg als mensen dat niet geloven. Alleen als goede vrienden dat zouden zeggen, zou ik me geschokt voelen.''

Ze trekken zelfs in twijfel dat je aan een vorm van goedaardige keelkanker lijdt, iets waarover jij twee jaar geleden in een interview uitvoerig sprak.

Geërgerd heft hij zijn kin op om een litteken in zijn hals te laten zien. ""Ik ben hier nu driemaal geopereerd. Moet ik soms foto's laten maken? Ik vind dit een vreselijke discussie...''

Je vrienden zeggen: hij praat over zo'n kwaal alsof hij er binnenkort aan zal overlijden - en vervolgens hoor je er nooit meer iets over.

Effen: ""Ik heb besloten er het beste van te maken, zonder anderen er al te veel mee lastig te vallen.'' Dan: ""Ik wist niet dat er zo'n strijd rond mij woedt. Ik kan alleen maar denken aan jaloezie, haat. Er zijn veel ruzies geweest.''

Als hij me op de valreep zijn huis laat zien, wijst hij op een fotootje op de televisie in zijn werkvertrek. Een vrolijk blond kindje lacht me toe. ""Dat is 'm,'' zegt hij.