Wild is the wind

”Ain't there one damn song that can make me break down and cry?!' roept David Bowie in 1975 als The Young American, hulpeloos swingend aan de touwtjes van David Sanborns lachende altsax, en meent het jaar daarop al die song gevonden te hebben.

Als titelsong van een door George Cukor geregisseerde film uit 1957 met in de hoofdrollen Anna Magnani en de verschrikkelijke Anthony Quinn als een man die de zus van zijn gestorven vrouw trouwt maar gevangen blijft in het web van zijn herinnering, werd hij geschreven door het duo Tiomkin/Washington en gezongen door Johnny Matthis, een bij voorkeur in exclusieve vrijetijdskleding gestoken, crèmekleurige crooner met een donker maar blank zalvend stemgeluid. Zoals bij veel filmsongs zijn de eerste maten bedoeld om je aan het donker van de zaal en het licht van de droom op het doek te laten wennen: een mondharmonica waaruit zorgvuldig elke ”blue note' is weggeretoucheerd, een waaier van violen en een in de hemel ontwakend koor van vrouwenstemmen slaan de lakens terug voor de ”voice' van Matthis, die zich lui, als een vals maar satijnzacht compliment, tegen je oor aanvlijt. ”Love me, love me, say you do/ Let me fly away with you', koert hij in echo gehuld en zonder aan iemand in het bijzonder te denken, ”for my love is like the wind/ And Wild Is The Wind'. Met die laatste woorden, de titel van zowel film als song, eindigen ook alle volgende coupletten, waarin gevraagd wordt om ”more than one caress/ satisfy this hungriness', en de geliefde aangemoedigd wordt zich aan hem vast te klampen als een blad aan een boomtak, ”for we are creatures of the wind/ And Wild Is The Wind'. Rest alleen nog de met betekenisvol dalende stem gezongen coda ”Wild is my love for you', nog eenmaal het opwaaien van de strijkers en na krap tweeënhalve minuut is het allemaal voorbij.

Zoniet voor David Bowie, aan wiens coverversie van ”Wild Is The Wind' tot op de dag van vandaag geen eind is gekomen: ze blijft zacht maar duidelijk hoorbaar doorruisen onder alles wat hij niet alleen sindsdien maar ook daarvoor heeft opgenomen. De titel van de elpee waar het sluitstuk van is, Station To Station, verwijst zowel naar zijn eigen, van personage naar personage en van alias naar alias voortijlende loopbaan, als ook naar het traject van Outer via Central naar Inner Station, dat Marlow, de verteller uit Conrads Heart Of Darkness, over de jungle-rivier af moet leggen op weg naar Kurtz, en misschien zelfs wel naar de veertien statiën van de kruisgang. Bowie, de Proteus van de popmuziek, die uit handen van de tijd had weten te blijven door telkens wanneer hij grijpbaar dreigde te worden van gedaante te wisselen, was, ten tijde van Station To Station toe aan zijn laatste huid: The Thin White Duke, een door cocane uitgeholde soulcrooner in search of a soul, die met zijn oranje haar en zwarte wallen onder zijn lichtschuwe ogen zo uit het gebergte van Transsylvanië of de set van The Damned van Visconti was weggerukt, en die, wat er nog van zijn leven heel was, grif zou geven als hij nog één enkele keer iets zou mogen kunnen voelen. One damn song. Zijn roep om een lied dat een einde maakt aan de maskerade, is als het verlangen waarmee de soldaat in het gelijknamige verhaal van Slauerhoff uitziet naar ”Het eind van het lied': ”Iets te ontmoeten dat geen sterveling voor u nog naderde en zo ontzettend is dat het uw andere ontzettingen uitdrijft, iets raadselachtigs, dat u de grootste geheimen ontraadselt en zelf geheim blijft.' Slauerhoffs soldaat vindt wat hij zoekt tenslotte in een klooster op de Krim, waar een koor van monniken elke nacht een lied aanheft, waarmee zij een jonge vrouw uit de greep van de donkere aarde proberen los te zingen. Maar op het moment dat ze bijna verlost is, alleen haar benen worden nog ondergronds gegijzeld, zakt de ”ijzingwekkende, snelle zang' plotseling als een menselijke piramide in elkaar. Het nachtelijk koor moet opgeven, niet omdat de monniken geen kracht meer hebben, maar omdat ze het eind van het lied niet kennen.

Geen strijkers, geen harp, geen koor. Bowie zingt ”Wild Is The Wind' zo goed als naakt, met alleen, en dan nog op eerbiedige afstand, gitaar, bas en drums, als ondersteuning bij zijn poging zijn ziel, zijn inspiratie en gevoel, onder het rokende puin van zijn geest vandaan te trekken. Een homeopathologische poging: met zoveel overtuiging een vals gevoel acteren, dat het leven verleid wordt te reageren met een echt. En hij komt een eind. Door alle lucht die hij in zich heeft samen te ballen in de kop van zijn strottehoofd en in opera-stijl langs zijn stembanden te persen weet hij tot twee keer toe de top van de brug te bereiken: ”yououou touch me/ I hear the sound of maaandoliiins/ Yououou kiss me/ With your kiss my LIFE begins', en, tenslotte alleen nog gedragen door de wind die door zijn hart tocht: ”don't you know you're life itseeelf?'

Gitaar, bas en drums houden even de adem in, maar als een antwoord uitblijft, zien zij zich genoodzaakt hun plaats aan het wiel weer in te nemen en kan Bowie weer van voren af aan beginnen. Ook hij kent het eind van het lied niet. Of misschien is het wel zo, dat hij, net als Karl, de pianospelende hoofdpersoon uit Kafka's roman Amerika, toen het eind in zicht was, ”een verdriet in zich voelde opkomen, dat, boven het eind van het lied uit, een ander einde zocht en het niet vinden kon'. Waardoor het zoeken naar het eind van het lied geleidelijk verandert in een nog vertwijfelder zoeken naar een uitgang uit het lied.