Wij bouwen geen lokkertjes; Twintig Nederlandse musea breiden uit

Van Groningen tot Limburg hebben gemeenten en provincies de laatste jaren genvesteerd in nieuwe musea of in de uitbreiding van bestaande. Anders dan in landen als Japan gebeurt dat in Nederland niet zozeer uit hang naar prestige, maar uit ruimtenood; het gaat om nieuwe depots, werkplaatsen en klimaatregeling. Is het misschien de Nederlandse aard om goed op de winkel te passen, liever dan pronkkamers aan te leggen?

Het dertiende Nationaal Museumweekend heeft plaats op zaterdag 17 en zondag 18 april. Ruim vierhonderd musea zijn gratis of tegen een gereduceerde prijs te bezoeken.

Voor elke zichzelf respecterende Nederlandse stad is een museum een onontbeerlijk bezit geworden. Het aantal museumbezoekers is in twaalf jaar tijd met ruim de helft toegenomen. Gingen er in 1980 14,5 miljoen mensen naar een museum, in 1991 waren dat er ruim 22 miljoen. Evenementen als het jaarlijkse Museumweekend, dat morgen en overmorgen weer wordt gehouden, hebben daar ongetwijfeld aan bijgedragen.

Het aantal musea, van volkenkunde tot en met natuurlijke historie en beeldende kunst, groeide volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek in dezelfde periode navenant, van 485 naar 731. De nieuwste instellingen zijn dan nog niet eens meegeteld, bijvoorbeeld de Kunsthal van Rem Koolhaas in Rotterdam, de Kees Verwey-hal in Haarlem en het kunstcentrum van de particuliere stichting Depont in Tilburg.

Van Groningen tot Limburg, door heel Nederland hebben gemeenten en provincies de laatste paar jaar geïnvesteerd in nieuwe musea of in de uitbreiding van bestaande. Net als een toonbaar architectuurbeleid is een goed museum een belangrijk wapen in de strijd om een volwaardig imago en een aantrekkelijk vestigingsklimaat.

Museumdirecteuren wijzen in beleidsplannen en haalbaarheidsstudies op de noodzaak om niet alleen de bezoekers naar behoren te kunnen ontvangen, maar ook de collectie die jarenlang in het depot heeft staan wegkwijnen, eindelijk te kunnen tonen. Hun pleidooien, waarvan sommige al van een kwart eeuw terug dateren, zijn in vruchtbare aarde gevallen: een rondgang door museaal Nederland levert ruim twintig concrete plannen op voor uitbreiding en nieuwbouw, waarmee honderden miljoenen guldens zijn gemoeid.

In Amsterdam beschikt het Van Gogh Museum al geruime tijd over een gift van 37,5 miljoen uit Japan voor de bouw en exploitatie van een nieuwe vleugel, ontworpen voor de architect Kurokawa. Het Rijksmuseum in Amsterdam besteedt 20 miljoen aan de renovatie van de Zuidvleugel, en de gemeenteraad zal voor de zomer beslissen of het Stedelijk inderdaad 30 miljoen mag uitgeven aan de uitbreiding door de Amerikaan Venturi. De gemeenteraad van Utrecht zal voor de zomer een meerjarenplan van het Centraal Museum behandelen, dat de uitgave inhoudt van 22 miljoen gulden.

Rechtbank

De museumgolf blijft bepaald niet tot de grote steden beperkt. De opvallendste projecten zijn juist in het noorden en het zuiden: het nieuwe Groninger Museum van Alessandro Mendini (47 miljoen) en het nieuwe Bonnefanten van Aldo Rossi (45 miljoen) aan de oevers van de Maas in Maastricht. Nijmegen is van plan om voor een bedrag van 24 miljoen een nieuw gebouw te laten optrekken waarin de Commanderie van Sint Jan en het archeologische museum Kam zullen samengaan. De burgemeester van Zwolle heeft zelfs zijn eigen gemeenteraad begin dit jaar verrast met het plan om in de voormalige rechtbank een Museum voor Naïeve Kunst te vestigen.

De groei zit niet alleen in de beeldende kunst: uit de cijfers van het CBS blijkt dat de sectoren geschiedenis, natuurlijke historie en bedrijf en techniek minstens even hard groeien. Nog niet meegeteld is het Nationaal Natuurhistorisch Museum in Leiden, waaraan nu gewerkt wordt en dat in 1997 open zal gaan. Met zijn bouw- en inrichtingskosten van liefst honderd miljoen gulden wordt dit het duurste museum dat ooit in Nederland is gebouwd. En vorige zomer maakte het Technologiemuseum NINT bekend dat er een bedrag van 41 miljoen bijeen is gebracht voor de bouw van een nieuw Science Center door de Italiaanse architect Renzo Piano aan de IJ-oevers.

Andere landen zijn Nederland voorgegaan in de hausse aan nieuwe musea. Zonder enige twijfel staat Japan bovenaan. De opdrachtgevers zijn behalve de provincies (prefecten) veelal bedrijven, die aan het oprichten van een museum status ontlenen en "iets voor de samenleving terugdoen'. Probleem daarbij is alleen dat die musea lang niet altijd over een gekwalificeerde staf beschikken, laat staan over een collectie. In zijn fascinerende boek The Museum Transformed: Design and Culture in the Post-Pompidou Age (1990, uitg. Abbeville Press), noemt de Amerikaanse kunstenaar en criticus Douglas Davis het voorbeeld van architect Kenzo Tange's museum voor Yokohama. Toen het museum in 1988 open ging was het met zijn 31.000 vierkante meter het grootste van het land, maar kunstwerken had het niet.

In Nederland is de drijfveer juist ruimtenood. Of is het misschien gewoon de Nederlandse aard om goed op de winkel te passen, liever dan pronkkamers aan te leggen? De musea barsten uit hun voegen: de bezoekersaantallen zijn zoals gezegd enorm toegenomen, en er is te weinig ruimte om de gegroeide collecties te beheren en te tonen. Het is opvallend hoeveel aandacht er in de huidige plannen uitgaat naar ruimtes en voorzieningen die niet direct statusverhogend of zelfs representatief kunnen worden genoemd, zoals depots, werkplaatsen en klimaatregeling. De koffiekamer wordt natuurlijk niet vergeten, maar eerst moet de infrastructuur goed zijn.

“In het Van Abbe gaat het om de metamorfose van een tentoonstellingsbedrijf in een volwaardig museum”, zegt directeur Jan Debbaut. “Het uitgangspunt is dan ook een ondernemingsplan voor het hele museum: automatisering, omschrijving en ontsluiting van de collectie, èn een betere en grotere accommodatie met voorzieningen als een auditorium, een goed toegeruste bibliotheek, goede werkruimtes, een koffieshop en een boekwinkel. De collectie bevat tweeduizend werken vanaf Picasso, maar die kunnen we nu niet naar behoren presenteren.” Zowel het Teylers Museum als het Centraal Museum hebben zich in eerste instantie toegelegd op verbetering van depots en kantoren; pas daarna volgt uitbreiding van de expositieruimte.

Mode

De belangstelling voor het museumbezoek is exponentieel gegroeid, maar wat gebeurt er als deze mode straks weer is weggeëbd? De Nederlandse Museumvereniging heeft weliswaar geen harde recente cijfers, maar directeur M. Brinkman heeft stellig de indruk dat het aantal museumbezoekers zich zalstabiliseren. Zijn de investeringen van honderden miljoenen guldens die nu over het hele land worden gedaan, dan nog te rechtvaardigen?

G. Lodder, hoofd directie beleidszaken cultuurbeheer bij WVC, wijst erop dat de meeste plannen gericht zijn op verbetering en vervanging van bestaande accommodaties. Als blijk van waardering daarvoor legde het departement begin dit jaar een fonds aan van anderhalf miljoen gulden, waaruit bijdragen aan nieuwbouw, verbouw en inrichting worden toegekend. “Ik heb niet de indruk dat de Nederlandse musea bezig zijn met het bouwen van lokkertjes,” zegt hij. “Het is eerder zo dat de musea reageren op een situatie waarmee ze al langere tijd worden geconfronteerd: behuizingen die ontoereikend zijn voor de hogere aantallen bezoekers en voor de eigen collectie. Ik ben dan ook niet bang dat al die uitbreidingen straks leeg staan. Het produkt wordt aantrekkelijker - ook al omdat er telkens naar nieuwe manieren van kennisoverdracht wordt gezocht - en trekt dus meer publiek.”

Directeur Jeroen Grosfeld van het Breda's Museum is er niet gerust op. “Over het hele land genomen neemt het museumbezoek weliswaar toe, maar wij merken dat de grote publiekstrekkers ten koste gaan van de kleinere, lokale musea als het onze. Terwijl overal wordt uitgebreid is bijvoorbeeld begin dit jaar de dependance in Breda van het Leidse museum voor volkenkunde gesloten.” De gemeente Breda gaat de mogelijkheid onderzoeken het museum onder te brengen in de vrijgekomen Chassé-kazerne, een operatie die naar schatting tussen de 12 en de 15 miljoen zal kosten. “De politieke wil is er,” zegt hij, “en voor ons als lokaal museum is het een kwestie van overleven.” Er lijkt zich een scheiding af te tekenen tussen de landelijke, of in ieder geval de supraregionale musea en de kleine lokale instellingen. De eerste categorie breidt uit omdat de publieke belangstelling al zo groot s, de tweede om haar aandeel daarin veilig te stellen.

Een enkeling merkt dat die politieke steun voor de uitbreidingen al tanende is. Een museumdirecteur die anoniem wenst te blijven, zegt: “Ik wou dat we onze uitbreidingsplannen er net een paar jaar eerder door hadden gekregen, toen was de politieke wil zeker groter.” Het enthousiasme van wethouders en raadsleden neemt ook merkbaar af wanneer het niet meer gaat om een blits nieuw gebouw, maar om vervelende zaken als de jaarlijkse vaste lasten. Veel betrokkenen wijzen naar Rotterdam, dat grote sommen heeft geïnvesteerd in nieuwe musea, maar vervolgens op de exploitatie moet beknibbelen. Het Maritiem Museum bijvoorbeeld, nog maar enkele jaren oud, kan minder tentoonstellingen organiseren en minder educatieve activiteiten ontplooien dan gepland, en op de begroting van de Kunsthal is al tijdens de bouw drastisch gekort. Van de musea met bouwplannen kijken sommigen reeds ver vooruit. Het Van Gogh bijvoorbeeld heeft een deel van zijn Japanse schenking alvast belegd in een fonds dat de verhoogde exploitatie moet dekken.

180 graden

Ontegenzeglijk zitten sommige gemeentes zichzelf met hun uiteenlopende culturele ambities dwars. Vorig najaar had de gemeente Eindhoven de ingrijpende uitbreiding van het Van Abbe goedgekeurd; nu heeft B en W de zaak terugverwezen naar de raad: er lopen nog andere grote stadsplanningsprojecten, bovendien vertoont het nieuwe Muziekcentrum een exploitatietekort. In Zwolle wordt openlijk geruzied over de prioriteiten: al sinds 1966 wordt gepraat over een uitbreiding van het Provinciaals Overijssels Museum voor vier miljoen, maar sinds burgemeester Hermans met het idee kwam om in zijn gemeente het Museum voor Naïeve Kunst te vestigen hoort het museum er niets meer van. “Het college maakte een wending van 180 graden,” zei PvdA-raadslid Jan ter Schegget. “De frustraties in Zwolle over het cultuurbeleid zullen hierdoor alleen nog maar oplopen.”

Al deze Nederlandse bouwplannen zullen niet uitmonden in Het Nieuwe Museumgebouw, het definitieve laat-twintigste eeuwse museumontwerp. De twee grootste en architectonisch meest uitgesproken projecten, die in Groningen en in Maastricht, markeren eerder de twee uitersten op dit gebied dan één nieuwe richting. De enige overeenkomst is dat ze, net als de uitbreiding van het Stedelijk en het Science Center, niet door Nederlanders worden gebouwd; voor het overige zijn ze elkaars tegenpool. Waar Frans Haks in Groningen ervoor koos om de onderdelen van de collectie in verscheidene paviljoens te tonen, zocht Alexander van Grevenstein in Maastricht juist naar een eenheid. “Eén paviljoen van Disneyland heeft meer impact dan alle musea bij elkaar,” zei Haks vorig jaar in het Museumjournaal. Van Grevenstein daarentegen kiest voor "het kerkprincipe': “Ik houd juist van de wat klassieker museumgebouwen. Ik wil geen directeur van Disneyland zijn.”