Voor je het weet waaien de bladeren je om de oren; De onvervulbare verlangens van Rudy Kousbroek

Rudy Kousbroek: De vrolijke wanhoop. Anathema's 8. Uitg. Meulenhoff. 148 blz. Prijs: ƒ 24,90.

Een van de meest curieuze jeugdherinneringen van Rudy Kousbroek is wel deze, over zijn vader: ”Ik herinner me hoe mijn vader zijn haar borstelde met twee borstels'. Over het waarom van deze manier van haarverzorgen geeft hij geen uitsluitsel. Had vader Kousbroek zulk weerbarstig haar dat het met één borstel niet te temmen viel? Daar wijzen de foto's die in De vrolijke wanhoop, een bundeling van autobiografische essays, zijn afgedrukt, niet meteen op. Toch valt er aan die foto's wel iets af te lezen over zijn kennelijke behoefte aan symmetrie. Zijn haardos is door een kloeke middenscheiding in twee identieke porties verdeeld, die het simultaan borstelen voorstelbaar maken. Die scheiding is overigens zo kaarsrecht dat hij behalve twee borstels ook nog een kam moet hebben gebruikt.

De vrolijke wanhoop maakt, na de substantiële essaybundel Het Oostindisch kampsyndroom een luchtige en zelfs wat losbandige indruk. Aan die losbandigheid wordt, behalve door de ongelijksoortigheid van de stukken, bijgedragen door het interview met Lien Heyting dat erin is opgenomen. Daarin deelt Kousbroek onder andere mee dat hij negenennegentig procent van de tijd over seks en liefde droomt en probeert te werken in de ene procent die hem rest. Naast de ruime noemer van ”het autobiografische essay' is er de toon, vrolijk wanhopig inderdaad, zoals de titel aangeeft, die als bindmiddel fungeert. Het hilarische verslag van een autoreis door Japan uit 1972, om een voorbeeld te noemen, is niet minder existentieel van aard dan het ingetogen gemijmer over Indische tuinen uit 1992.

Liefde en dood zijn de voornaamste onderwerpen van deze anathema's en het vergeefse vermogen om zich van alles en nog wat te herinneren dat toch nooit terug zal keren. Zich verzoenen met die ellendige gang van zaken doet Kousbroek allerminst. In bijna al zijn essays draait het om kleine en grote, maar steevast onvervulbare verlangens: om het samenvallen met beminde personen, dieren, voorwerpen, landschappen en situaties. En dus gaat het over de onmogelijkheid om terug te keren naar het landschap van zijn jeugd, rond te dwalen in een onaangetast, vooroorlogs Den Haag, of alsnog manmoedig het speelgoedbootje van zijn dochter te redden uit een vijver van het Bois de Boulogne. Zelfs het wisselen van de seizoenen ervaart hij steeds weer als een verlies. “Het geeft het gevoel dat alles tijdelijk en vergeefs is, het komt maar niet tot rust; net als de Natuur haar zaakjes een beetje op orde heeft en de planten eruitzien zoals het hoort, beginnen ze al te verdorren en voor je het weet waaien je de bladeren alweer om de oren.”

Als er bij uitzondering toch een keer een brug naar het verleden wordt geslagen, zoals in de beschrijving van een reünie met vroegere kostschoolgenoten, dan verloopt de communicatie, ondanks de namen op de revers, niet helemaal naar wens. “”Nee maar, daar hebben we Joop Engelsman. Ha die Joop', roept de ene reünieganger de andere opgewekt toe. ”Je bent nog niets veranderd. Ik herkende je al uit de verte'. ”Wat zeg je?' (Haalt leesbril te voorschijn om te kunnen zien wat er op het lapel-kaartje staat.) ”O neem me niet kwalijk, ik dacht dat u Joop Engelsman was.' ”Wacht 's even: Kousbroek... Kousbroek... Nee, het spijt me, nooit van gehoord'.”

Kousbroek wapent zich tegen de tand des tijds met veel ironie en zelfspot. In de verzuchting dat hij alleen bereid is om te sterven nadat hij zich ”eerst nog even' met de helft van de mensheid heeft verenigd, valt evenveel onstuitbare levenslust als droevige berusting te herkennen. Een wonderlijk mengsel van die gevoelens is vertegenwoordigd in zijn beschouwing van een erotisch kunstwerk van de Vlaamse kunstenaar Patrick van Caeckenbergh, die in een soort mozaïek een stuk of zestig foto's van vrouwelijke geslachtsorganen bijeenbracht. Compositie en uitvoering van het werk bekoren hem matig, maar het onderwerp grijpt hem des te meer aan. Met vertedering beschrijft hij wat hij ziet: poederdonsjes, kleerborstels, pannensponsjes, washandjes, scheerkwasten, knaagdieren en croquetjes. Prettige karaktereigenschappen schrijft hij toe aan de zestig ”Ypsilons', zoals heldhaftigheid, vlijt en barmhartigheid.

De vijftig mannelijke geslachtsorganen, afgebeeld in een fotocollage van Peter Greenaway, kunnen daarentegen weinig genade vinden in Kousbroeks ogen. In een uiterst vermakelijke verhandeling over ”des Knaben Wunderhorn' onderwerpt hij ze aan een niets ontziende analyse. “Muf, verregend, belachelijk, de best passende term is misschien het Engelse woord silly.” Kousbroek ziet gezichten in de geëxposeerde geslachtsdelen, lelijke gezichten met hangwangen, ”de ogen verscholen in een ongekamde krullenbol'. En als er al eentje kijkt, dan is dat met een uitpuilende en bijziende blik. ”Het geheel heeft een mallotige uitdrukking', zo vat hij de zaak nog maar eens krachtig samen, ”waarin een maniakale uitgelatenheid en beteuterdheid met elkaar om de voorrang strijden'. Het tragische besef dat hij zelf ook moet zien te leven met zo'n malle Wunderhorn mag hem tot enige wanhoop drijven, maar ons maakt hij er toch vooral vrolijk mee.