"Sarajevo is van buitenaf èn van binnenuit vermoord'

BELGRADO, 16 APRIL. “In het omsingelde Sarajevo is van politieke macht, van burgerlijke autoriteiten geen sprake. Er zijn alleen de bewapende groepen en het geweld, van de Serviërs die van de heuvels schieten, en van de groepen die beneden in de stad elkaar bevechten. De burgerbevolking denkt niet aan politiek, die denkt alleen aan overleven. Politiek is een luxe en het is gevaarlijk een mening naar voren te brengen. Als autoriteit bestaat president Alija Izetbegovic eigenlijk alleen maar bij de gratie van de internationale gemeenschap, die hem erkend heeft als president van een land dat niet bestaat”.

Zeljko Vukovic is de meest geachte dagbladcorrespondent uit Sarajevo. Tot november vorig jaar slaagde hij erin vanuit de stad zelf te berichten in Borba, het enige niet-nationalistische dagblad dat in Servië verschijnt. Hij werd gehaat door de moslim-politici in Sarajevo en voor volksverrader uitgemaakt door de Servische belegaars. De VN-vredesmacht UNPROFOR redde Vukovic door hem op een vliegtuig naar Zagreb te zetten. In de weken voor zijn ontsnapping was hij driemaal gearresteerd, bedreigd, verdacht gemaakt als agent voor het Joegoslavische leger en ondergedoken. Zijn voornemen in zijn vaderstad Sarajevo te blijven werken verdroeg zich op den duur niet met de inzichten van hen die er de dienst uitmaken.

"De moord op Sarajevo' heet het boek waarin hij zijn ervaringen te boek heeft gesteld. “Sarajevo is niet alleen maar door de Serviërs vermoord, maar ook van binnenuit”, zegt hij ter verklaring van de boektitel, gezeten in een pizzeria naast het Borba-kantoor, waar collega's in en uit lopen en hem bezorgd aanspreken. Vukovic' verblijf in Belgrado wordt benard door een nieuwe maatregel van bestuur in Servië, waarbij de status van vluchteling voor Bosnische Serviërs ernstig wordt beperkt. Op de achtergrond dreigt uitzetting naar Bosnië, en verplichte dienstneming in het Servische leger daar.

Vukovic' relaas telt ontelbare namen, plaatsen, verhalen en details. Over de rol van de moslims uit de Sandzak bijvoorbeeld, die bij het uitbreken van de oorlog in april vorig jaar begonnen met schieten. “De immigratie van Sandzak-moslims naar Sarajevo begon al zo'n tien jaar geleden”, vertelt Vukovic. “Voor hun was Sarajevo "de grote stad', zoals Belgrado dat is voor de Serviërs, en Zagreb voor de Dalmatiërs.”

“Aanvankelijk werkten ze illegaal, maar onder Alija Izetbegovic werd vanaf 1991 deze immigratie gelegaliseerd. Izetbegovic' partij, de moslim-partij SDA, zag hun aanwezigheid kennelijk als een welkome versterking van het moslim-element in Sarajevo. De stedelijke bevolking reageerde met gemengde gevoelens op hun komst. "Witsokken' noemde men ze naar hun favoriete voetbedekking onder de spijkerbroek. Men sprak er schande van dat ze vuistgevechten aangingen met de kaartjescontroleurs in de tram. Onder de moslims in Sarajevo was het gewoonte de moskee te bezoeken, maar velen hielden daarmee op, omdat ze zich ergerden aan fanatieke geloofsbelijdenis van de Sandzak-moslims en het feit dat ze in de moskee altijd vooraan gingen zitten”.

“Men moet weten dat de moslims in Sarajevo niet nationalistisch waren”, vertelt Vukovic. Bij de verkiezingen in 1991 stemde de Bascarsija, het rustieke historische centrum van de kleine winkeltjes in Sarajevo, niet op de nationalistische SDA, maar op de (multinationale) Reformistische Partij, opgericht door de het behoud van het oude Joegoslavië nastrevende federale premier Markovic. Deze moslims hadden de stad al massaal verlaten toen in april het schieten echt begon. Voor zover moslims uit Sarajevo zich toen geroepen voelden tegen de Serviërs te vechten, namen ze meestal dienst in het Kroatische leger van Bosnië-Herzegovina, de HVO.

De mannen uit de Sandzak waren in het begin van de oorlog vooral georganiseerd in de organisatie "Patriottische Liga', die sinds eind 1991 licht bewapend was. De "Groene baretten', waarvan de betekenis door de destijds tot mythische proporties werd opgeblazen, bestonden wel maar waren in werkelijkheid een kleine extremistische organisatie onder leiding van een café-eigenaar.

Izetbegovic, president van de republiek Bosnië-Herzegovina en van de moslim-partij SDA, wist aanvankelijk een confrontatie met de eenheden van het Joegoslavische leger (JNA) in de stad te vermijden. “Hij verwachtte absoluut niet dat zij allen voor de Serviërs zouden kiezen”, meent Vukovic. Aanvankelijk was dat ook niet zo, maar dat veranderde toen de door de Kroaten geleide HVO kazernes ging aanvallen. Op 1 mei ontstonden voor het eerst echte fronten in de stad waarvan de loop, althans bij het centrum, sindsdien niet noemenswaardig veranderd is.

De veel gehoorde theorie, dat de mafia van Sarajevo als eerste de verdediging van de stad tegen de Servische belagers organiseerde, verwijst Vukovic naar het rijk der fabelen. “De mafia zorgde in die eerste weken alleen voor zichzelf en plunderde winkels of huizen van door de Sandzak-strijders verdreven of vermoorde Serviërs. Pas later stelde de mafia haar diensten ter beschikking van de machtigen van de stad. "Wij het leger, jullie de politiek', was het voorstel. Maar dat werd door Izetbegovic en de zijnen niet op prijs gesteld, omdat de misdadigers-clans van Sarajevo in het geheel niet nationalistisch gezind waren, niet pro-moslim en niet anders.

“Een echt leger hebben Izetbegovic en zijn Bosnië-Herzegovina eigenlijk nooit gehad, en ze hebben het nog steeds niet. De hele stad kende de leiders van die criminele benden: Juka, Celo, Cuka. In juli ging de Patriottische Liga (inmiddels als "Leger' bekend staande) tegen hen in de aanval. Twee dagen bijvoorbeeld duurde de strijd tegen bendeleider "Topa', die zich achter mijnenvelden had verschansd in het stadsdeel Cengiz-villa.

De meeste bendeleiders zijn inmiddels dood of uit de stad verdwenen, vertelt Vukovic. Een enkeling werkt samen met Izetbegovic, zoals Celo Bairamovic, hoofd van de militaire politie in Sarajevo.

Zowel de benden als de Sandzak-strijders uit het begin vechten allang niet meer mee in Sarajevo, vertelt Vukovic. “De Sandzak-moslims hebben baantjes in de logistiek of als commandant. Degenen die nu naar de fronten worden gestuurd zijn mannen uit de stad, die dienstplicht moeten vervullen”.

Dat gebeurt onder leiding van een vertrouweling van Izetbegovic, Sefer Halilovic, wiens benoeming veel heeft bijgedragen aan de verwijdering tussen Izetbegovic en diens nominale Kroatische bondgenoten. “Voor de Kroaten is Halilovic een "oorlogsmisdadiger', die in 1991 aan de kant van het JNA tegen de Kroaten vocht bij Djakovo”. Halilovic, die zich slechts met twaalf lijfwachten de straat op waagt, staat bij de stedelingen bekend om zijn lafheid. De dienstplichtige verdedigers van thans spreken onder elkaar ook veel schande van hun lagere commandanten, omdat die de stad nauwelijks blijken te kennen.

Izetbegovic en de zijnen hebben geprobeerd de verhoudingen in Sarajevo te exporteren naar de weinige andere steden die nog geheel of gedeeltelijk in moslim-handen waren, vooral Zenica en Tuzla. Maar dat waren geen steden waar de SDA sterk was. “Toen vrijwilligers uit Zenica en Tuzla in augustus op het punt stonden de Servische omsingeling van Sarajevo te doorbreken, heeft Izetbegovic hun offensief weten te stoppen. Hij begreep dat hun komst zijn macht zou breken, en de omsingeling van Sarajevo bovendien zijn voornaamste prestige-objekt naar de rest van de wereld is”.

Izetbegovic's mannen wisten na dit incident in Zenica een "ethnische zuivering' van Serviërs en Kroaten door te drijven, wier huizen vervolgens werden ingenomen door radicaal-nationalistische moslim-vluchtelingen van elders. Minder makkelijker was dat echter in Tuzla, ook vroeger al bekend als de meest nationaal-geïntegreerde stad van Joegoslavië. Tot op de dag van vandaag heerst daar burgemeester Salen Beslagic, geen SDA-man, maar afkomstig uit de Reformistische Partij. Met harde hand overigens: dieven wordt de hand afgehakt.

Die veelgeroemde samenleving van moslims, Serviërs en Kroaten in Sarajevo bestaat alleen nog maar als een propagandathema van Izetbegovic en de zijnen naar het buitenland, meent Vukovic. “Hoe kun je van een samenleving spreken als geen enkele politieke gedachte meer kan worden gearticuleerd? Sarajevo is vermoord, van binnen en van buiten. En dat alles op grond van politieke ideeën, die op zichzelf misschien allemaal wel iets hadden, maar die op een volstrekt onaanvaardbare manier met geweld worden nagestreefd. Ik denk niet dat van de oorspronkelijke stedelingen nog iemand naar de stad zou terugkeren, vooropgesteld dat hij eerst weg weet te komen natuurlijk. Aan de andere kant, waar moet je anders heen? Europa is gesloten”.